JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4244Laag8/100

Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door Raad van State

ECLI:NL:RVS:2026:4244, Raad van State, 28-07-2026, BRS.26.003180

Raad van StateUitspraak: 28 juli 2026Publicatie: 21 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.003180
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Verkorte Afdoening
Artikel 91 Vw2000
Vreemdelingenwet 2000
Unierecht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling, bijgestaan door mr. R.L.J. Henket-Reijnen (advocaat te Maastricht), stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak. De exacte inhoud van het geschil is niet uit de uitspraak kenbaar, maar betreft een beslissing van de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling paste artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe (verkorte motivering), omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen, rechtsontwikkelingsvragen of vragen over Unierecht opriep.

8van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele, enkelvoudige zaak afgedaan via verkorte procedure zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak heeft geen precedentwerking en stelt geen nieuwe regels.

Belangrijkste punten

  • 1Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: verkorte afdoening zonder nadere motivering
  • 2Rechtbank werd terecht en op goede gronden geacht juist te hebben beslist; motivering onder 7.2 van de rechtbankuitspraak wordt overgenomen
  • 3Geen vragen die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming dienen
  • 4Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (conform HvJ EU 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24)
  • 5Geen proceskostenveroordeling ten laste van de minister

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak betreft een standaard toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en stelt geen nieuwe rechtsregels; zij verwijst naar het recente HvJ EU-arrest Remling (2026) als toetssteen voor Unierechtelijke vragen.

Praktische impact

Voor de betreffende vreemdeling betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat de eerder genomen beslissing van de minister in stand blijft en er geen verdere rechtsmiddelen in Nederland openstaan.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken bevestigt de Afdeling haar vaste lijn van verkorte afdoening wanneer het hoger beroep geen rechtsvragen van gewicht opwerpt, wat de doorlooptijden in vreemdelingenrechtspraak beperkt.

Samenvatting

In deze vreemdelingenrechtelijke procedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juli 2026 uitspraak gedaan in een hoger beroep dat was ingesteld door een vreemdeling, bijgestaan door mr. R.L.J. Henket-Reijnen te Maastricht. De exacte aard van het onderliggende besluit van de minister is niet uit de uitspraak kenbaar, maar het geschil valt onder de reikwijdte van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De rechtbank had in eerste aanleg het beroep van de vreemdeling verworpen, waarbij de relevante overwegingen zijn opgenomen onder rechtsoverweging 7.2 van haar uitspraak. In hoger beroep heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank integraal bevestigd. Daarbij paste zij de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, op grond waarvan een nadere motivering achterwege kan blijven indien het hoger beroep geen vragen oproept die in het belang zijn van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin. De Afdeling stelde tevens vast dat het hogerberoepschrift geen vragen opwierp over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. De minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak werd enkelvoudig afgedaan door mr. D.A. Verburg. De uitspraak heeft geen bijzondere precedentwerking en illustreert slechts de standaard toepassing van de vereenvoudigde afdoeningsprocedure in het vreemdelingenrecht.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 5 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4595Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4595, Raad van State, 05-08-2026, 202504160/1/A2

Raad van State5 aug 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4591Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4591, Raad van State, 05-08-2026, 202403948/1/R1

Raad van State5 aug 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4609Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4609, Raad van State, 05-08-2026, 202404306/1/R4.

Raad van State5 aug 2026OverheidVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4600Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4600, Raad van State, 05-08-2026, 202407120/1/A3

Raad van State5 aug 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen