Hoger beroep niet-ontvankelijk na alsnog verleende asielvergunning
ECLI:NL:RVS:2026:4227, Raad van State, 20-07-2026, 202303270/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker stapte naar de rechter omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig besliste op zijn asielaanvraag. Hangende de procedure nam de minister alsnog een besluit op 28 juni 2023, waarbij de aanvraag werd ingewilligd. Daarmee verviel het procesbelang van appellant.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had bij beoordeling ervan nadat de minister alsnog een inwilligend besluit had genomen. De minister wordt wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €934,00, nu hij te laat heeft beslist en WBV 2022/22 onverbindend is gebleken.
Impactscore
MiddelDe uitspraak zelf is een toepassing van de reeds vastgestelde onverbindendheid van WBV 2022/22 en heeft beperkte zelfstandige rechtsvormende waarde, maar de bevestiging van de proceskostenveroordeling ondanks niet-ontvankelijkheid en de toepassing van de Zimir-lijn geven de uitspraak enige bredere relevantie.
Belangrijkste punten
- 1Het hoger beroep is niet-ontvankelijk wegens verlies van procesbelang na de inwilliging van de asielaanvraag op 28 juni 2023.
- 2WBV 2022/22, waarmee de minister de beslistermijn met negen maanden verlengde, is onverbindend verklaard (RvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749).
- 3Het HvJ EU beantwoordde op 8 mei 2025 (Zimir, C-2025:326) prejudiciële vragen over de toelaatbaarheid van de termijnverlenging.
- 4Zonder WBV 2022/22 gold een beslistermijn van zes maanden; de minister overschreed deze termijn aanzienlijk.
- 5De proceskosten worden vergoed met wegingsfactor 0,5, omdat de procedure uitsluitend het niet tijdig beslissen betrof.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de onverbindendheid van WBV 2022/22 en de daaruit voortvloeiende beslistermijn van zes maanden voor asielaanvragen, in lijn met de eerder door de Afdeling gedane einduitspraak van 25 maart 2026. De veroordeling in proceskosten ondanks niet-ontvankelijkheid onderstreept de verantwoordelijkheid van de minister voor de termijnoverschrijding.
Praktische impact
De asielzoeker ontvangt een verblijfsvergunning én een proceskostenvergoeding van €934,00 ondanks de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Voor andere asielzoekers wier aanvraag onder WBV 2022/22 viel, staat vast dat de verlengde beslistermijn niet rechtsgeldig was.
Onderwerp-impact
Asielzoekers die te maken hadden met de op grond van WBV 2022/22 verlengde beslistermijn kunnen aanspraak maken op proceskosten en mogelijk andere rechten wegens de vastgestelde onverbindendheid van die regeling.
Samenvatting
Deze zaak betreft een asielzoeker die bij de rechter aanklopte omdat de minister van Asiel en Migratie niet binnen de wettelijke termijn een besluit nam op zijn asielaanvraag. Hangende het hoger beroep nam de minister op 28 juni 2023 alsnog een besluit, waarbij de aanvraag werd ingewilligd. Daarmee was het doel van de procedure bereikt en had appellant geen procesbelang meer. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk. De juridische kern van de zaak raakt aan de onverbindendheid van WBV 2022/22, de ministeriële regeling waarmee de beslistermijn voor asielaanvragen met negen maanden werd verlengd. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling uit november 2023 beantwoordde het Hof van Justitie EU op 8 mei 2025 (Zimir) de gestelde vragen, waarna de Afdeling op 25 maart 2026 concludeerde dat WBV 2022/22 onverbindend is. Dit betekent dat de minister voor appellants asielaanvraag slechts zes maanden de tijd had om te beslissen, welke termijn ruimschoots was overschreden. Hoewel het hoger beroep niet-ontvankelijk is, veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van €934,00, met toepassing van wegingsfactor 0,5 omdat de procedure uitsluitend zag op het niet tijdig beslissen. Er ontstond geen beroep van rechtswege omdat de minister in het besluit van 28 juni 2023 volledig aan de aanvraag tegemoet is gekomen. De uitspraak illustreert dat een termijnoverschrijding door de overheid, zelfs na herstel, procesrechtelijke gevolgen heeft in de vorm van een kostenvergoeding.