Voorlopige voorziening: uitzetting opgeschort tot hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4226, Raad van State, 20-07-2026, 202505261/2/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd om ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van verzoeker achterwege blijft.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. Tevens verzocht hij om opvang en verstrekkingen hangende het hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Raad van State wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is dat op grond van de aangevoerde gronden aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, conform vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457). De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard voorlopige voorziening in een individueel vreemdelingenzaak op basis van bestaande jurisprudentie, zonder nieuwe rechtsnormen of bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort tot beslissing op het hoger beroep
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen maakt onderdeel uit van het verzoek
- 3Toepassing van vaste RvS-jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag voor toewijzing
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak betreft een voorlopige maatregel en laat inhoudelijk oordeel over hoger beroep open
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van vaste jurisprudentie waarbij bij voldoende aangevoerde gronden een voorlopige voorziening wordt getroffen om uitzetting te voorkomen. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
De vreemdeling is voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op opvang en verstrekkingen totdat de hogerberoepsprocedure is afgerond, wat zijn rechtspositie tijdelijk stabiliseert.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt dit type voorlopige voorziening asielzoekers en andere vreemdelingen een effectief rechtsmiddel om de status quo te handhaven gedurende hogerberoepsprocedures.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, gelijktijdig met het instellen van hoger beroep tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. De vreemdeling verzocht concreet om te worden gevrijwaard van uitzetting totdat op het hoger beroep is beslist, en om hangende die procedure te worden voorzien van opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter overweegt dat, gelet op hetgeen is aangevoerd, aanleiding bestaat de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Hierbij wordt verwezen naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457, onder 5.1). Op grond hiervan wordt bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat uitspraak is gedaan in de hogerberoepsprocedure. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is procedureel van aard en betreft uitsluitend een voorlopige maatregel. Over de inhoudelijke merites van het hoger beroep wordt geen oordeel gegeven. De zaak illustreert hoe vreemdelingen via het instrument van de voorlopige voorziening effectieve rechtsbescherming kunnen inroepen om uitzetting te voorkomen in afwachting van de uitkomst van een lopende beroepsprocedure. De uitkomst is in lijn met bestaande rechtspraktijk en heeft geen bredere precedentwerking.