Minister asiel krijgt geen schorsing rechtbankuitspraak vreemdelingenzaak
ECLI:NL:RVS:2026:4202, Raad van State, 20-07-2026, BRS.26.003147
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 juli 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
De minister van Asiel en Migratie verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening waarmee hij de uitvoering van een rechtbankuitspraak van 27 mei 2026 kon opschorten totdat de Afdeling op zijn hoger beroep zou hebben beslist. Betrokkene (vermoedelijk een vreemdeling wiens aanvraag aan de orde is) verzette zich hiertegen.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de minister geen spoedeisend belang heeft aangetoond. De voorzieningenrechter oordeelt dat een uitspraak op het hoger beroep wordt verwacht vóór afloop van de zesmaandstermijn waarbinnen de minister een nieuw besluit moet nemen, zodat er geen reden is om de uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 934,00 aan proceskosten.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele tussenbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is een standaardtoepassing van het spoedeisend belang-criterium.
Belangrijkste punten
- 1Geen spoedeisend belang: uitspraak op hoger beroep wordt verwacht vóór het verstrijken van de zesmaandstermijn ex artikel 42 lid 1 Vw 2000
- 2De minister heeft geen andere spoedeisende omstandigheden aangevoerd die een voorlopige voorziening zouden rechtvaardigen
- 3Op grond van artikel 42 lid 1 Vw 2000 moet de minister binnen zes maanden na de uitspraak van 27 mei 2026 een nieuw besluit nemen
- 4De minister wordt als verzoekende en in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten (€ 934,00)
- 5De uitspraak betreft uitsluitend de voorlopige-voorzieningsfase; de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep loopt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het vaste criterium dat een spoedeisend belang ontbreekt wanneer de bodemuitspraak op korte termijn te verwachten is en de wettelijke termijn voor herbesluiting daarvóór nog niet verstrijkt. Dit is een routinematige toepassing van het vreemdelingenrecht en het voorlopige-voorzieningenrecht.
Praktische impact
De minister moet de rechtbankuitspraak van 27 mei 2026 uitvoeren en binnen zes maanden een nieuw besluit nemen op de aanvraag van betrokkene. Betrokkene ontvangt € 934,00 aan proceskostenvergoeding.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratieprocedures wordt hiermee bevestigd dat de overheid niet automatisch schorsende werking van een hoger beroep kan verkrijgen als de tijdsdruk niet is aangetoond.
Samenvatting
In deze zaak verzocht de minister van Asiel en Migratie de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening die hem zou ontheffen van de verplichting om een uitspraak van de rechtbank van 27 mei 2026 uit te voeren, in afwachting van de behandeling van zijn hoger beroep. De betrokken vreemdeling, wiens verblijfsrechtelijke aanvraag centraal staat in de procedure, diende een schriftelijke uiteenzetting in tegen dit verzoek. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Doorslaggevend is artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan de minister binnen zes maanden na de verzending van de rechtbankuitspraak een nieuw besluit op de aanvraag dient te nemen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Afdeling naar verwachting nog vóór het verstrijken van die termijn uitspraak zal doen op het hoger beroep. Nu de minister bovendien geen andere spoedeisende omstandigheden heeft gesteld die een afwijking van dit uitgangspunt zouden rechtvaardigen, ontbreekt het vereiste spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Als gevolg van de afwijzing dient de minister de rechtbankuitspraak te respecteren en tijdig een nieuw besluit te nemen. Hij wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op € 934,00 voor professioneel verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft beperkte rechtsontwikkelende betekenis: zij betreft een standaard procedurele toepassing van het spoedeisend belang-vereiste in het vreemdelingenrecht. De inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep — en daarmee de definitieve beslechting van het verblijfsrechtelijke geschil — is nog niet aan de orde.