Vreemdeling krijgt voorlopige voorziening: uitzetting opgeschort
ECLI:NL:RVS:2026:4196, Raad van State, 20-07-2026, BRS.26.003400
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 9 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijkertijd de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzocht concreet om niet te worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en om opvang en verstrekkingen te ontvangen.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst de uitzetting totdat op het hoger beroep is beslist; de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. Doorslaggevend is dat de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen is aangevoerd, aanleiding ziet om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen conform de vaste lijn van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele tussenbeslissing in een individuele zaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de voorzieningenrechter volgt uitdrukkelijk bestaande jurisprudentie en de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep moet nog plaatsvinden.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst totdat hoger beroep is beslist
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen is mede onderdeel van het verzoek
- 3Afdeling past vaste jurisprudentielijn toe (ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak RvS
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de gevestigde lijn toe dat bij aangevoerde gronden een voorlopige voorziening in uitzettingszaken wordt getroffen; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld. De uitkomst bevestigt de procedurele bescherming van vreemdelingen hangende hoger beroep.
Praktische impact
De vreemdeling mag niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt en heeft daarmee tijdelijk verblijfszekerheid verkregen. De minister moet de gemaakte advocaatkosten vergoeden.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt deze uitspraak een praktisch precedent voor het gebruik van voorlopige voorzieningen als beschermingsmaatregel hangende hoger beroep bij dreigende uitzetting.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening. Zijn verzoek strekte ertoe dat hij hangende het hoger beroep niet zou worden uitgezet en dat hij recht zou krijgen op opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit verzoek op 20 juli 2026 ingewilligd. Op grond van hetgeen door verzoeker is aangevoerd, en met verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457), is bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een procedurele tussenmaatregel en laat de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep onverlet. De voorzieningenrechter introduceert geen nieuwe rechtsregels maar past de bestaande standaard toe voor het treffen van voorlopige voorzieningen in uitzettingszaken. De juridische impact is daarmee beperkt tot de individuele casus: de vreemdeling heeft tijdelijke bescherming verkregen tegen uitzetting en enige zekerheid omtrent opvang, terwijl het hoger beroep nog moet worden behandeld. De uitspraak illustreert de procedurele waarborgen die het bestuursrechtelijk stelsel biedt aan vreemdelingen die rechtsmiddelen aanwenden tegen uitzettingsbeslissingen.