Hoger beroep vreemdeling niet-ontvankelijk na vertrek onbekende bestemming
ECLI:NL:RVS:2026:4194, Raad van State, 20-07-2026, BRS.26.002228
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister in een vreemdelingenzaak. Gedurende de procedure bleek dat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken en zijn gemachtigde geen contact meer met hem had.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat de vreemdeling geen procesbelang meer heeft, omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken en daarmee kennelijk geen bescherming in Nederland meer zoekt.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige procedurele afdoening op grond van het ontbreken van procesbelang, zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Belangrijkste punten
- 1Vreemdeling is met onbekende bestemming vertrokken tijdens de hoger beroepsprocedure
- 2Gemachtigde had geen contact meer met de vreemdeling
- 3Raad van State leidt hieruit af dat de vreemdeling geen bescherming in Nederland meer zoekt
- 4Bij ontbreken van procesbelang is het hoger beroep niet-ontvankelijk
- 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat procesbelang een ontvankelijkheidseis is en dat vertrek met onbekende bestemming in combinatie met het wegvallen van contact met de gemachtigde voldoende grond is om dat belang afwezig te achten. Dit is een standaardtoepassing van het belangvereiste in het bestuursprocesrecht.
Praktische impact
Voor de vreemdeling heeft de niet-ontvankelijkverklaring geen verdere directe gevolgen nu hij Nederland al heeft verlaten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken leidt vertrek met onbekende bestemming vrijwel automatisch tot niet-ontvankelijkheid van een lopend (hoger) beroep, wat de druk op de asielprocedure enigszins verlicht.
Samenvatting
In deze zaak had een vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een beslissing van de minister in het kader van zijn verblijfsrechtelijke positie in Nederland. Gedurende de hoger beroepsprocedure deelde de minister mee dat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van de vreemdeling bevestigde geen contact meer met zijn cliënt te hebben. Op grond van deze feiten tezamen oordeelde de Afdeling dat de vreemdeling kennelijk niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarmee ontbreekt het procesbelang dat noodzakelijk is voor een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De centrale juridische vraag was of de vreemdeling nog een rechtens te respecteren belang had bij voortzetting van de procedure. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend: zonder aanknopingspunten dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft of terug wil keren om bescherming te verkrijgen, is er geen belang bij een inhoudelijke uitspraak. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is enkelvoudig gedaan door mr. H.G. Sevenster en vormt een standaardtoepassing van het procesrechtelijke vereiste dat een appellant een actueel en reëel procesbelang moet hebben om ontvankelijk te zijn. In de vreemdelingenrechtpraktijk is dit een veelvoorkomende situatie: wanneer een vreemdeling Nederland verlaat en zijn gemachtigde het contact verliest, wordt de procedure doorgaans op deze grond beëindigd. De uitspraak heeft daarmee beperkte precedentwerking en een lage maatschappelijke impact.