JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4190Middel38/100

WBV 2022/22 onverbindend: asielzoeker krijgt proceskostenvergoeding

ECLI:NL:RVS:2026:4190, Raad van State, 16-07-2026, 202400399/1/V1

Raad van StateUitspraak: 16 juli 2026Publicatie: 16 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202400399/1/V1
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Ingebrekestelling
Beslistermijn
Proceskostenvergoeding
Asielaanvraag
Wbv 2022 22

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 14 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

Kern van de zaak

Een asielzoeker diende op 3 september 2022 een asielaanvraag in. Toen de minister niet tijdig besliste, stelde hij op 6 maart 2023 een ingebrekestelling in en ging hij in beroep. De rechtbank wees zijn proceskostenverzoek af omdat de ingebrekestelling te vroeg zou zijn ingediend gelet op de met WBV 2022/22 verlengde beslistermijn.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de proceskostenvergoeding was afgewezen. De doorslaggevende reden is dat WBV 2022/22 onverbindend is verklaard, waardoor de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden gold en de ingebrekestelling van 6 maart 2023 dus niet te vroeg was ingediend.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak past reeds vaststaand recht toe op een individuele zaak en heeft geen zelfstandige rechtsvormende betekenis, maar heeft door het grote aantal vergelijkbare asielzaken wel een aanzienlijk praktisch bereik.

Belangrijkste punten

  • 1WBV 2022/22, waarmee de minister de asielbeslistermijn met negen maanden verlengde, is onverbindend verklaard (RvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, na HvJ-arrest Zimir van 8 mei 2025).
  • 2Omdat WBV 2022/22 onverbindend is, eindigde de wettelijke beslistermijn op 3 maart 2023 en was de ingebrekestelling van 6 maart 2023 geldig ingediend.
  • 3De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de ingebrekestelling te vroeg was en daarmee de proceskostenvergoeding ten onrechte afgewezen.
  • 4De Afdeling kent proceskosten toe voor zowel beroep als hoger beroep, met toepassing van wegingsfactor 0,5.
  • 5De uitspraak past de reeds vaststaande onverbindendheid van WBV 2022/22 toe in een individuele zaak over proceskosten.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de praktische doorwerking van de onverbindendverklaring van WBV 2022/22: asielzoekers die tijdig een ingebrekestelling indienden op basis van de oorspronkelijke zesmaandstermijn, hebben recht op proceskostenvergoeding in beroepsprocedures over het niet tijdig beslissen. Dit sluit aan op de reeds gewezen einduitspraak van 25 maart 2026.

Praktische impact

Asielzoekers wier ingebrekestelling werd afgewezen omdat de rechtbank de verlengde beslistermijn van WBV 2022/22 als rechtsgeldig beschouwde, kunnen alsnog aanspraak maken op proceskostenvergoeding nu die verlengingsbevoegdheid onverbindend is verklaard.

Onderwerp-impact

Voor de asielpraktijk betekent dit dat de minister in een groot aantal vergelijkbare zaken met terugwerkende kracht proceskosten verschuldigd kan zijn aan asielzoekers die op basis van de wettelijke zesmaandstermijn tijdig een ingebrekestelling indienden.

Samenvatting

Deze zaak draait om de vraag of een asielzoeker recht heeft op vergoeding van proceskosten nadat hij beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De asielzoeker diende zijn aanvraag in op 3 september 2022. Op grond van de wettelijke beslistermijn van zes maanden had de minister uiterlijk op 3 maart 2023 moeten beslissen. De minister had echter met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden verlengd, waardoor die termijn volgens de minister pas op 3 november 2023 afliep. Omdat de asielzoeker zijn ingebrekestelling al op 6 maart 2023 indiende, oordeelde de rechtbank dat deze te vroeg was en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State anders. Zij verwijst naar haar einduitspraak van 25 maart 2026, waarin zij na beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie (arrest Zimir, 8 mei 2025) heeft vastgesteld dat WBV 2022/22 onverbindend is. Dit betekent dat de minister geen rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn te verlengen. De oorspronkelijke termijn van zes maanden was dus bepalend, en die eindigde op 3 maart 2023. De ingebrekestelling van 6 maart 2023 was daarmee tijdig ingediend en geldig. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de proceskostenvergoeding was afgewezen en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep. Daarbij wordt wegingsfactor 0,5 toegepast. De uitspraak heeft geen zelfstandige rechtsvormende waarde, maar is juridisch relevant omdat zij de onverbindendheid van WBV 2022/22 toepast in de context van proceskostenveroordeling, met potentieel grote gevolgen voor een groot aantal vergelijkbare asielzaken.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 22 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4281Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4281, Raad van State, 22-07-2026, 202504116/1/R2

Raad van State22 jul 2026HandhavingVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4286Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4286, Raad van State, 22-07-2026, 202504375/1/R2

Raad van State22 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4270Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4270, Raad van State, 22-07-2026, 202402337/1/R3

Raad van State22 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4268Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4268, Raad van State, 22-07-2026, 202407951/1/R2

Raad van State22 jul 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied