JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4189Laag8/100

Verzoek voorlopige voorziening uitzetting vreemdeling afgewezen

ECLI:NL:RVS:2026:4189, Raad van State, 20-07-2026, BRS.26.002916

Raad van StateUitspraak: 20 juli 2026Publicatie: 16 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.002916
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Voorlopige Voorziening
Uitzetting
Terugkeerbesluit
Vreemdelingenzaak
Opvang

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening: geen uitzetting hangende hoger beroep en toekenning van opvang en verstrekkingen. Het verzoek is ingediend in het kader van een lopend hoger beroepsprocedure tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak.

Beslissing van de rechter

Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. Doorslaggevend is dat niet aannemelijk is dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank zal vernietigen, en dat er op dit moment geen terugkeerbesluit geldt jegens verzoeker, waardoor de urgentie ontbreekt.

8van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een afwijzing van een voorlopige voorziening in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen. De uitspraak heeft geen precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Verzoeker vroeg om schorsing van uitzetting hangende hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
  • 2Tevens werd verzocht om opvang en verstrekkingen gedurende de procedure
  • 3Voorzieningenrechter oordeelt voorlopig dat vernietiging van de rechtbankuitspraak niet aannemelijk is
  • 4Afwezigheid van een actueel terugkeerbesluit weegt mee bij de belangenafweging
  • 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak betreft een standaard toepassing van de voorlopige voorzieningenprocedure in vreemdelingenzaken en stelt geen nieuwe rechtsnormen. De afwijzing bevestigt dat het ontbreken van een terugkeerbesluit de urgentie van een voorlopige voorziening kan wegnemen.

Praktische impact

De vreemdeling verkrijgt geen schorsing van een eventuele uitzetting en ontvangt geen aanspraak op opvang en verstrekkingen op basis van deze beslissing. De hoofdprocedure in hoger beroep loopt echter nog door.

Onderwerp-impact

Voor vreemdelingen in vergelijkbare situaties zonder actueel terugkeerbesluit zal het moeilijker zijn om een voorlopige voorziening te verkrijgen, nu de voorzieningenrechter de afwezigheid van dat besluit zwaar laat wegen bij de beoordeling van spoedeisend belang.

Samenvatting

In deze zaak verzocht een vreemdeling de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om twee voorlopige voorzieningen: ten eerste dat hij niet zou worden uitgezet voordat op het lopende hoger beroep is beslist, en ten tweede dat hij gedurende die periode recht zou krijgen op opvang en verstrekkingen. Het verzoek werd ingediend in het kader van een hoger beroepsprocedure tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak, waarbij de minister vermoedelijk een beslissing had genomen over de verblijfspositie van verzoeker. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen. De kern van het oordeel bestaat uit twee elementen. In de eerste plaats is de voorzieningenrechter er voorlopig niet van overtuigd dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank zal vernietigen; hetgeen verzoeker aanvoert biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. In de tweede plaats speelt bij de belangenafweging een cruciale rol dat er op dit moment geen terugkeerbesluit geldt jegens verzoeker. Dit betekent dat er geen concrete en directe dreiging van uitzetting bestaat, waardoor de urgentie die normaliter aan een dergelijk verzoek ten grondslag ligt, ontbreekt. Gelet op deze twee factoren oordeelt de voorzieningenrechter dat de belangen van verzoeker niet opwegen tegen die van de minister, en wijst hij het verzoek integraal af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft een beperkte juridische impact: zij bevestigt bestaande rechtspraktijk en stelt geen nieuwe normen. Voor de vreemdeling in kwestie betekent de beslissing dat hij vooralsnog geen bescherming geniet via een voorlopige voorziening, al loopt de hoger beroepsprocedure nog.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 26 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen