Formeel gebrek bewaring niet fataal bij duidelijke wettelijke grondslag
ECLI:NL:RVS:2026:4185, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.002974
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Berkel en Rodenrijs, hoger beroep ingesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) is in bewaring gesteld op grond van artikel 59a Vw 2000. Hij voerde in hoger beroep aan dat de bewaringsmaatregel niet vermeldde dat deze namens de minister was opgelegd, wat in strijd is met artikel 10:10 Awb.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond. Hoewel het formele gebrek (ontbrekende vermelding 'namens de minister') wordt erkend, leidt dit na belangenafweging niet tot onrechtmatigheid, omdat uit de maatregel zelf voldoende duidelijk bleek wie bevoegd handelde en een significant risico op onderduiken bestond.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie en voegt geen nieuwe rechtsregel toe, maar is praktisch relevant voor de vreemdelingenrechtpraktijk omdat het een terugkerend procedureel punt definitief kadert.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 10:10 Awb vereist dat een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk bestuursorgaan het is genomen; dat ontbrak hier.
- 2Niet elk formeel gebrek maakt een maatregel onrechtmatig: bij gebreken die de rechtmatigheid niet rechtstreeks aantasten, is ruimte voor belangenafweging.
- 3De combinatie van wettelijke grondslag (art. 59a Vw 2000) en bevoegdheidsomschrijving (art. 5.3 VV 2000) maakte voldoende duidelijk dat namens de minister werd gehandeld.
- 4Het significante risico op onderduiken woog mee in de belangenafweging ten nadele van appellant.
- 5De uitspraak bevestigt de lijn uit ECLI:NL:RVS:2024:3714 en ECLI:NL:RVS:2026:1650 over gebreken en belangenafweging in bewaringszaken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestendige lijn van de Raad van State dat formele gebreken in bewaringsmaatregelen niet automatisch tot onrechtmatigheid leiden, maar via een belangenafweging worden beoordeeld waarbij de ernst van het gebrek, de duidelijkheid van de grondslag en de concrete omstandigheden doorslaggevend zijn.
Praktische impact
Voor vreemdelingen in bewaring betekent dit dat een schending van artikel 10:10 Awb op zichzelf onvoldoende grond is voor invrijheidstelling; voor de uitvoerende diensten onderstreept de uitspraak het belang van correcte mandaatvermelding, maar biedt het ook zekerheid dat een omissie niet per se fataal is.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht wordt bevestigd dat procedurele gebreken in bewaringsbesluiten worden gerelativeerd zolang de materiële grondslag en het vluchtrisico evident zijn, wat de drempel voor succesvolle formele aanvechting van bewaring hoog houdt.
Samenvatting
In deze zaak had de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), via een door de korpschef aangewezen politieambtenaar, een vreemdeling in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. In de bewaringsmaatregel ontbrak echter de vermelding dat deze namens de minister was opgelegd, hetgeen artikel 10:10 van de Algemene wet bestuursrecht uitdrukkelijk vereist voor besluiten die krachtens mandaat worden genomen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat dit formele gebrek de maatregel onrechtmatig maakte. De Raad van State erkent het gebrek, maar oordeelt dat dit niet automatisch tot onrechtmatigheid leidt. In navolging van eerdere uitspraken (ECLI:NL:RVS:2024:3714 en ECLI:NL:RVS:2026:1650) hanteert de Raad een belangenafweging voor gebreken die de rechtmatigheid niet rechtstreeks aantasten. Bij die afweging kijkt de Raad naar de ernst van het gebrek, de duidelijkheid die de maatregel desondanks biedt, en de concrete belangen van partijen. In dit geval bleek uit de maatregel zelf — door de verwijzing naar artikel 59a Vw 2000 en artikel 5.3 VV 2000 in onderlinge samenhang — voldoende duidelijk dat de betrokken ambtenaar handelde namens de minister. Van werkelijke onduidelijkheid over de bevoegdheidsgrondslag was derhalve geen sprake. Daarbij woog de Raad mee dat onweersproken vaststond dat appellant een significant risico op onderduiken vormt, wat een zwaarwegend belang aan de zijde van de staat oplevert. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De uitspraak onderstreept dat in het vreemdelingenbewaringsrecht procedurele omissies worden gerelativeerd via een contextuele belangenafweging, en dat enkel een formeel argument over mandaatvermelding zelden voldoende zal zijn om bewaring te doen eindigen wanneer de materiële grondslag en het vluchtrisico evident zijn.