Raad van State: geen bedenktijd mensenhandel bij Dublin-terugkeer
ECLI:NL:RVS:2026:4184, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.001140
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 11 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Kern van de zaak
Een vrouw uit Zuid-Afrika diende in Nederland een asielaanvraag in. De minister legde haar een vrijheidsontnemende maatregel op en verklaarde Spanje verantwoordelijk op grond van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat betrokkene op basis van haar verklaring over mogelijke mensenhandel recht had op 30 dagen bedenktijd.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en het beroep van betrokkene ongegrond; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Doorslaggevend is dat de verklaring van betrokkene onvoldoende constitueert als 'geringste aanwijzing' voor mensenhandel in de zin van paragraaf B8/3.1 Vc 2000, zodat de minister niet gehouden was bedenktijd aan te bieden.
Impactscore
MiddelDe uitspraak geeft nadere invulling aan een bestaande beleidsnorm (B8/3.1 Vc 2000) in de specifieke context van Dublinprocedures en mensenhandelsignalering, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel; de impact is relevant voor de uitvoeringspraktijk bij grensdetentie en mensenhandelsignalering.
Belangrijkste punten
- 1De minister legde een vrijheidsontnemende maatregel op op grond van artikel 6 lid 3 Vw 2000 in het kader van een Dublinprocedure (overdracht aan Spanje).
- 2Beleid (B8/3.1 Vc 2000) verplicht de Koninklijke Marechaussee bij de 'geringste aanwijzing' van mensenhandel tot het aanbieden van 30 dagen bedenktijd.
- 3De rechtbank leidde de geringste aanwijzing voor mensenhandel af uit betrokkenes verklaring over een predikant die haar mogelijk naar Spanje bracht voor seksuele uitbuiting of drugstransport.
- 4De Raad van State oordeelde dat deze verklaring – die slechts op een vermoeden van betrokkene zelf is gebaseerd – de drempel van 'geringste aanwijzing' niet haalt.
- 5Nu geen grond bestaat om de grensdetentie onrechtmatig te achten, vervalt ook de grondslag voor schadevergoeding.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de drempel van de 'geringste aanwijzing' voor mensenhandel in de Dublin-context: een subjectief vermoeden van de vreemdeling zelf volstaat niet om de beleidsverplichting tot bedenktijdaanbieding te activeren.
Praktische impact
Betrokkene ontvangt geen schadevergoeding en de rechtmatigheid van haar grensdetentie staat vast; de overdracht aan Spanje kan worden voortgezet zonder de bedenktijdprocedure.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen in Dublinprocedures met aanwijzingen van mensenhandel betekent dit dat louter eigen vermoedens – zonder objectieve indicatoren – onvoldoende zijn om de beschermende bedenktijdregeling in werking te stellen.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of een asielzoekster uit Zuid-Afrika, die in Nederland in grensdetentie was geplaatst in het kader van een Dublinoverdracht aan Spanje, recht had op een bedenktijd van 30 dagen wegens mogelijke mensenhandel. Betrokkene had tijdens haar aanmeldgehoor verklaard dat zij achteraf vreesde dat de predikant die haar naar Spanje had gebracht, haar mogelijk wilde inzetten voor seksuele uitbuiting of drugshandel. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) oordeelde dat dit voldoende was als 'geringste aanwijzing' voor mensenhandel in de zin van paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, en dat de minister ten onrechte had nagelaten die bedenktijd aan te bieden. De rechtbank verklaarde de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig vanaf 15 februari 2026 en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling draait het oordeel van de rechtbank terug. Zij stelt vast dat de verklaring van betrokkene niet meer inhoudt dan een eigen, achteraf gerezen vermoeden, zonder objectieve indicatoren die op mensenhandel wijzen. Dit is onvoldoende om de beleidsdrempel van de 'geringste aanwijzing' te bereiken die de Koninklijke Marechaussee verplicht bedenktijd aan te bieden. Nu de vrijheidsontnemende maatregel daarmee rechtmatig was, vervalt ook de grondslag voor schadevergoeding. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is van praktisch belang voor de signalering van mensenhandel in Dublinprocedures: zij maakt duidelijk dat louter subjectieve vermoedens van de vreemdeling zelf – hoe begrijpelijk ook – niet volstaan om de beschermende bedenktijdregeling te activeren.