JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4174Laag12/100

Verzoek schorsing uitzetting vreemdeling afgewezen door RvS

ECLI:NL:RVS:2026:4174, Raad van State, 15-07-2026, BRS.26.003145

Raad van StateUitspraak: 15 juli 2026Publicatie: 15 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.003145
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Vreemdelingenrecht
Uitzetting
Raad Van State

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 6 april 2022 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een rechterlijke uitspraak en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het hoger beroep is beslist. De minister heeft belang bij tenuitvoerlegging van de uitzettingsmaatregel.

Beslissing van de rechter

Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep zal worden vernietigd, en oordeelt dat de belangen van de minister zwaarder wegen dan die van verzoeker.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een procedurele voorzieningenbeslissing zonder nieuwe rechtsnormen, van beperkte reikwijdte en uitsluitend relevant voor de individuele zaak van verzoeker.

Belangrijkste punten

  • 1Verzoeker verzocht schorsing van uitzetting hangende hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
  • 2Voorzieningenrechter acht vernietiging van de rechtbankuitspraak bij voorlopig oordeel niet aannemelijk
  • 3Belangenafweging valt uit in het nadeel van verzoeker; belangen minister prevaleren
  • 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
  • 5Uitspraak is summier gemotiveerd; de uitgebreide overwegingen ontbreken in de beschikbare tekst

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak betreft een standaardtoepassing van de vovo-procedure in vreemdelingenzaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak en stelt geen nieuwe rechtsregels. De drempel voor schorsing van uitzetting hangende hoger beroep blijft hoog.

Praktische impact

Voor verzoeker betekent de afwijzing dat de uitzetting doorgang kan vinden voordat het hoger beroep is behandeld, wat feitelijk ingrijpende gevolgen heeft voor zijn verblijfspositie.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken onderstreept deze uitspraak dat het enkele instellen van hoger beroep onvoldoende is om uitzetting te stuiten; een serieuze kans op succes in hoger beroep is vereist voor toewijzing van een voorlopige voorziening.

Samenvatting

In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekte ertoe dat hij niet zou worden uitgezet zolang het door hem ingestelde hoger beroep nog niet was beslist. De achtergrond van de zaak – de precieze toedracht van de asielprocedure of het terugkeerbesluit – blijkt niet volledig uit de beschikbare tekst van de uitspraak, maar het is duidelijk dat de rechtbank eerder al in het nadeel van verzoeker had geoordeeld en dat hij daartegen hoger beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter heeft bij voorlopig oordeel vastgesteld dat niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep zal worden vernietigd. Dit is het centrale criterium in vovo-procedures: er moet een reële kans bestaan dat de bodemrechter in hoger beroep anders beslist. Nu die kans onvoldoende aannemelijk is geacht, ontvalt reeds daarin de grond voor toewijzing. Bovendien heeft de voorzieningenrechter de belangen afgewogen en geconcludeerd dat de belangen van de minister bij tenuitvoerlegging van de uitzetting zwaarder wegen dan de door verzoeker aangevoerde belangen. Het verzoek is dan ook afgewezen. Deze uitkomst is in lijn met de vaste jurisprudentie van de Afdeling in vreemdelingenzaken, waarbij de lat voor schorsing van een uitzettingsmaatregel hoog ligt. De uitspraak heeft geen precedentwerking en is uitsluitend relevant voor de betrokken partijen. Een proceskostenveroordeling is achterwege gebleven.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 26 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen