Verblijfsvergunning student ingetrokken wegens onvoldoende studievoortgang
ECLI:NL:RVS:2026:4168, Raad van State, 17-07-2026, 202404149/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een Bengaalse student verloor zijn studievergunning nadat zijn onderwijsinstelling hem afmeldde wegens onvoldoende studievoortgang. De minister trok de vergunning in met terugwerkende kracht en vaardigde een terugkeerbesluit uit inclusief SIS-signalering. Betrokkene betwistte dit omdat hij inmiddels naar Portugal was verhuisd.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is vernietigd. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 83c lid 4 sub b Vw 2000, dat incidenteel hoger beroep in terugkeerzaken die onderdeel zijn van een intrekkingsbesluit uitsluit.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte precedentwerking omdat zij voornamelijk procedurele en bevoegdheidsaspecten betreft, maar is relevant voor de praktijk van vreemdelingenrecht gezien de verduidelijking over incidenteel hoger beroep en de nieuwe ministeriële bevoegdheidsverdeling.
Belangrijkste punten
- 1Verblijfsvergunning regulier voor studie ingetrokken met ingang van 1 mei 2022 wegens onvoldoende studievoortgang
- 2Intrekking gold tevens als terugkeerbesluit met bijbehorende SIS-signalering
- 3Incidenteel hoger beroep in terugkeerzaken die onderdeel zijn van een intrekkingsbesluit is wettelijk uitgesloten (art. 83c lid 4 sub b Vw 2000)
- 4Bevoegdheid voor het instellen van hoger beroep was na 2 juli 2024 overgegaan naar de minister van Asiel en Migratie, niet de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- 5Rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard, maar de Afdeling vernietigt die uitspraak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de beperkte appelrechtelijke mogelijkheden voor vreemdelingen bij gecombineerde intrekkings- en terugkeerbesluiten, en verduidelijkt de bevoegdheidsverdeling na de instelling van het ministerie van Asiel en Migratie per 2 juli 2024.
Praktische impact
Betrokkene verliest zijn rechtsmiddel via incidenteel hoger beroep en wordt geconfronteerd met een terugkeerbesluit en SIS-signalering, ondanks zijn verhuizing naar Portugal als EU-lidstaat.
Onderwerp-impact
De zaak benadrukt dat studenten met een verblijfsvergunning bij uitschrijving door de onderwijsinstelling direct hun verblijfsrecht kunnen verliezen, inclusief onmiddellijke terugkeerverplichting en signalering in het Schengeninformatiesysteem.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal de intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'studie' van een Bengaalse vreemdeling. De minister trok de vergunning in met ingang van 1 mei 2022, nadat de onderwijsinstelling betrokkene had afgemeld wegens onvoldoende studievoortgang. De intrekking gold tevens als terugkeerbesluit, waarbij betrokkene werd gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS). Betrokkene maakte bezwaar en stelde beroep in, mede omdat hij inmiddels naar Portugal was verhuisd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk is. Op grond van artikel 83c lid 4 aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 is incidenteel hoger beroep in een procedure over een terugkeerbesluit uitgesloten wanneer dat terugkeerbesluit onderdeel uitmaakt van een intrekkingsbesluit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Aan de inhoudelijke grieven van betrokkene werd daardoor niet toegekomen. Ten aanzien van het hoger beroep van de minister oordeelde de Afdeling dat de bevoegdheid na 2 juli 2024 was overgegaan naar de minister van Asiel en Migratie, niet de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Op grond van het Besluit instelling ministerie van Asiel en Migratie is de minister van Asiel en Migratie bevoegd voor alle migratie-aangelegenheden die voorheen toebehoorden aan de minister van Justitie en Veiligheid. Nu de minister per brief van 26 juli 2024 had verduidelijkt dat het hoger beroep namens hem moest worden beschouwd als ingesteld, achtte de Afdeling dit voldoende voor ontvankelijkheid. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De zaak kent een complexe proceshistorie waarbij ook een nieuw besluit van 11 september 2024 en een rechtbankuitspraak van 18 december 2025 een rol spelen, waartegen betrokkene opnieuw hoger beroep had ingesteld.