Bewaring onrechtmatig na niet omzetten grondslag bij asielintrekking
ECLI:NL:RVS:2026:413, Raad van State, 26-01-2026, 202501857/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling in bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 (asielgrondslag) gaf tijdens zijn aanmeldgehoor mondeling aan zijn asielaanvraag te willen intrekken. De minister verzuimde de bewaringsgrondslag tijdig om te zetten naar artikel 59 Vw 2000, waarna appellant stelde dat de bewaring vanaf 9 maart 2025 onrechtmatig was.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doorslaggevend is dat uit het aanmeldgehoor van 7 maart 2025 ondubbelzinnig bleek dat appellant zijn asielaanvraag introk, waarna de minister binnen twee dagen de bewaringsgrondslag had moeten omzetten; nu dit niet tijdig is gebeurd, is de bewaring vanaf 9 maart 2025 onrechtmatig geoordeeld en wordt een schadevergoeding van € 2.500,00 toegekend.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past een bestaande rechtsregel toe op een concrete casus en bevestigt daarmee de lijn van oktober 2025, maar stelt geen nieuwe fundamentele rechtsregel; de impact is relevant voor de uitvoeringspraktijk van vreemdelingenbewaring maar beperkt in bredere rechtsontwikkeling.
Belangrijkste punten
- 1Een mondeling uitdrukkelijke intrekking van de asielaanvraag tijdens het aanmeldgehoor is voldoende om de omzettingsplicht te activeren.
- 2Na het intrekkingssignaal heeft de minister twee dagen de tijd om de bewaringsgrondslag van art. 59b naar art. 59 lid 1 sub a Vw 2000 om te zetten.
- 3Wordt de omzetting niet tijdig verricht, dan is de maatregel van bewaring vanaf de derde dag onrechtmatig.
- 4De Afdeling verwijst ter onderbouwing naar haar eerdere uitspraak van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4715), waaruit de twee-dagentermijn reeds voortvloeit.
- 5Aan appellant wordt een schadevergoeding van € 2.500,00 toegekend voor de onrechtmatige bewaring en € 2.802,00 aan proceskosten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en past de in oktober 2025 geformuleerde twee-dagenregel toe: zodra een vreemdeling zijn asielaanvraag intrekt, moet de bewaringsgrondslag binnen twee dagen worden omgezet, bij gebreke waarvan de bewaring onrechtmatig is en schadevergoeding verschuldigd is.
Praktische impact
De minister van Asiel en Migratie dient interne processen zo in te richten dat een (mondelinge) intrekking van een asielaanvraag tijdens het aanmeldgehoor direct wordt gesignaleerd en binnen twee dagen tot omzetting van de bewaringsgrondslag leidt, om financiële aansprakelijkheid te voorkomen.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingen in bewaring die hun asielaanvraag willen intrekken biedt deze uitspraak een concrete rechtsbescherming: een mondelinge verklaring tijdens het gehoor volstaat en genereert onmiddellijk een handhaafbare termijn voor de overheid.
Samenvatting
In deze zaak stond de rechtmatigheid van een maatregel van vreemdelingenbewaring centraal. Appellant was op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld als asielzoeker. Tijdens het aanmeldgehoor op 7 maart 2025 gaf appellant mondeling en uitdrukkelijk aan zijn asielaanvraag te willen intrekken. Hoewel hij aangaf dit nog niet met zijn advocaat te hebben besproken, werd de advocaat telefonisch geïnformeerd en bevestigde appellant daarna nogmaals zijn voornemen. De rechtbank Den Haag oordeelde aanvankelijk dat geen sprake was van een duidelijke intrekking, maar de Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak) verwerpt dit oordeel. Volgens de Afdeling blijkt uit het verslag van het aanmeldgehoor ondubbelzinnig dat appellant zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en dit ook daadwerkelijk beoogde. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4715), waaruit volgt dat de minister na een dergelijk intrekkingssignaal twee dagen de tijd heeft om de bewaringsgrondslag om te zetten van artikel 59b naar artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000. Nu de minister deze omzetting niet binnen twee dagen na 7 maart 2025 heeft verricht, is de bewaring met ingang van 9 maart 2025 onrechtmatig geworden. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog gegrond verklaard. Appellant ontvangt een schadevergoeding van € 2.500,00 voor de onrechtmatige bewaring over de periode van 7 maart tot en met 31 maart 2025, alsmede een proceskostenvergoeding van € 2.802,00. De uitspraak benadrukt dat een mondeling uitgesproken intrekking tijdens het aanmeldgehoor juridisch voldoende gewicht heeft om de omzettingsplicht te activeren en dat de overheid deze signalen tijdig moet opvolgen.