JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4114Middel35/100

Planschadevordering eigenaar Groningse panden ongegrond verklaard

ECLI:NL:RVS:2026:4114, Raad van State, 15-07-2026, 202503372/1/A2

Raad van StateUitspraak: 15 juli 2026Publicatie: 15 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202503372/1/A2

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen de aanvraag van [appellant] om tegemoetkoming in planschade afgewezen. [appellant] is sinds 14 april 2008 respectievelijk 1 september 2008 voor 50% eigenaar van de panden aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Groningen. [appellant] heeft op 7 maart 2016 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het vergroten en samenvoegen van de panden om twintig zelfstandige woningen te realiseren en voor het toevoegen van een extra bouwlaag. Het college heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld. Bij uitspraak van 7 november 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland het beroep daartegen gegrond verklaard en het college opdracht gegeven de aanvraag alsnog inhoudelijk te beoordelen. Bij besluit van 21 december 2018 heeft het college de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Volgens het college was het bouwplan in strijd met het op 28 juni 2017 in werking getreden bestemmingsplan Herziening Bestemmingsregels Wonen.

Kern van de zaak

Een eigenaar van twee panden in Groningen vroeg tegemoetkoming in planschade omdat een nieuw bestemmingsplan uit 2017 de maximale bouwhoogte verlaagde en het bouwvlak verkleinde. Hij had eerder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van twintig woningen, maar die werd geweigerd wegens strijd met het nieuwe bestemmingsplan. In 2022 diende hij een planschadeverzoek in bij het college van B&W Groningen.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van het college, maar verklaart het beroep van appellant desondanks ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de aangewezen planologische oorzaak van de gestelde schade niet de door appellant ingeroepen grondslag kan dragen, waardoor zijn planschadeclaim niet slaagt.

35van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak is relevant voor de praktijk van planschadeprocedures en het overgangsrecht Omgevingswet, maar heeft een beperkt prejudicieel karakter omdat zij sterk casuïstisch is en geen nieuwe rechtsnormen introduceert.

Belangrijkste punten

  • 1Het nieuwe bestemmingsplan Herziening Bestemmingsregels Wonen (2017) verlaagde de maximale bouwhoogte van 11 naar 10,5 meter, introduceerde een maximale goothoogte van 7 meter en verminderde het bouwvlak met 236 m².
  • 2Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.19 Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht (Wro) van toepassing op dit planschadeverzoek tot het besluit onherroepelijk is.
  • 3De Raad van State vernietigt zowel de rechtbankuitspraak als het collegebesluit, maar wijst het beroep inhoudelijk alsnog af.
  • 4De omgevingsvergunning voor de realisatie van twintig zelfstandige woningen werd in 2018 geweigerd wegens strijd met het nieuwe bestemmingsplan.
  • 5De zaak illustreert het complexe samenspel tussen de intrekking van de Wro en de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 voor lopende planschadeprocedures.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht onder artikel 4.19 Invoeringswet Omgevingswet voor planschadeverzoeken die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Zij bevestigt dat het oude Wro-regime volledig van toepassing blijft totdat het besluit op het schadeverzoek onherroepelijk is en eventuele vergoeding volledig is betaald.

Praktische impact

Voor appellant betekent de uitspraak dat zijn planschadeclaim definitief faalt ondanks de vernietiging van het eerdere collegebesluit en de rechtbankuitspraak; hij ontvangt geen tegemoetkoming in de planschade. Eigenaren van onroerend goed in vergelijkbare situaties moeten rekening houden met de strikte eisen aan de causale onderbouwing van planschadeverzoeken.

Onderwerp-impact

Voor vastgoedeigenaren en projectontwikkelaars die te maken hebben met bestemmingsplanwijzigingen die hun bouwmogelijkheden beperken, onderstreept deze uitspraak het belang van een stevige onderbouwing van de causale link tussen de planwijziging en de gestelde schade bij het indienen van een planschadeverzoek.

Samenvatting

In deze zaak staat een eigenaar van twee panden in Groningen centraal die in 2022 een verzoek om tegemoetkoming in planschade indiende bij het college van burgemeester en wethouders. Zijn claim was gebaseerd op de inwerkingtreding in 2017 van het bestemmingsplan Herziening Bestemmingsregels Wonen, dat de maximale bouwhoogte verlaagde van 11 naar 10,5 meter, een maximale goothoogte van 7 meter introduceerde en het toegestane bouwvlak met 236 m² versmalde. Eerder had hij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het samenvoegen van de panden en het realiseren van twintig zelfstandige woningen, maar die vergunning werd in 2018 geweigerd wegens strijd met ditzelfde nieuwe bestemmingsplan. De centrale juridische vragen betroffen enerzijds welk recht van toepassing is op het planschadeverzoek na de intrekking van de Wet ruimtelijke ordening per 1 januari 2024 en de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en anderzijds of de gestelde planwijziging de aangewezen oorzaak vormt van de door appellant geleden schade. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt vast dat op grond van artikel 4.19, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude Wro-recht volledig van toepassing blijft op dit planschadeverzoek. Zij vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 mei 2025 als het besluit van het college van 9 oktober 2025, maar verklaart het beroep van appellant vervolgens ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de door appellant aangewezen planologische oorzaak van de gestelde schade onvoldoende is om zijn claim te dragen. De uitspraak bevestigt daarmee de strenge eisen die gelden voor de causale onderbouwing van planschadeverzoeken en biedt duidelijkheid over de toepassing van het overgangsrecht bij de transitie van de Wro naar de Omgevingswet.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 10 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
35van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied