JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4099Laag12/100

Hoger beroep minister vreemdelingenzaak ongegrond verklaard

ECLI:NL:RVS:2026:4099, Raad van State, 15-07-2026, 202408055/1/V3

Raad van StateUitspraak: 15 juli 2026Publicatie: 15 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202408055/1/V3
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Motiveringsgebrek
Vreemdelingenwet
Artikel 91 Vw2000
Asiel En Migratie
Vereenvoudigde Afdoening

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 1 november 2022 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Kern van de zaak

De minister van Asiel en Migratie ging in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, die een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek had geconstateerd in een besluit in een vreemdelingenzaak. De minister betwistte dit oordeel bij de Raad van State.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling oordeelt dat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen bevat en het geconstateerde gebrek zich eenvoudig laat herstellen, zodat nadere motivering achterwege blijft op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000.

12van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een routinematige vereenvoudigde afdoening zonder nieuwe rechtsvragen; de juridische en maatschappelijke impact is minimaal en beperkt tot de individuele zaak.

Belangrijkste punten

  • 1Toepassing van de vereenvoudigde afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming
  • 2De rechtbank constateerde een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek in het ministeriële besluit
  • 3Het gebrek laat zich eenvoudig herstellen in nieuwe besluitvorming, wat mede de ongegrondheid van het hoger beroep rechtvaardigt
  • 4Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht (conform HvJ 24 maart 2026, Remling, C-243/26)
  • 5De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten (€ 934,00) en griffierecht (€ 559,00)

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak past de standaard vereenvoudigde afdoeningsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe en bevestigt daarmee de bestaande praktijk; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord. Het arrest Remling (HvJ 2026) wordt expliciet aangehaald als bevestiging dat ook Unierechtelijke vragen ontbreken.

Praktische impact

De minister dient een nieuw besluit te nemen waarbij het zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek wordt hersteld; betrokkenen ontvangen proceskosten- en griffierechtvergoeding. De zaak keert terug naar de besluitvormingsfase zonder dat de einduitkomst voor betrokkenen al vaststaat.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken bevestigt dit dat motiveringsgebreken in ministeriële besluiten via hoger beroep niet worden gerepareerd maar terugvloeien naar nieuwe besluitvorming, wat de procedurele druk op de minister vergroot.

Samenvatting

In deze vreemdelingenzaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 juli 2026 het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De zaak betreft een besluit in een vreemdelingrechtelijke procedure waarbij de rechtbank eerder had geoordeeld dat sprake was van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek. De minister ging daartegen in hoger beroep, maar de Afdeling past artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe: het hoger beroep hoeft niet verder te worden gemotiveerd omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling overweegt daartoe dat het geconstateerde gebrek zich — los van de vraag welke uitkomst bij nieuwe besluitvorming aangewezen is — eenvoudig laat herstellen. Tevens worden geen vragen opgeworpen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, in lijn met het recente arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkenen ten bedrage van € 934,00, toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en dient een griffierecht van € 559,00 te voldoen. De zaak wordt terugverwezen naar de besluitvormingsfase, waarbij de minister een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit dient te nemen. De uitspraak heeft geen precedentwerking en is een standaardtoepassing van de vereenvoudigde afdoeningsprocedure in het vreemdelingenrecht.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 23 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied