JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4096Laag18/100

Raad van State schorst rechtbankuitspraak in vreemdelingenzaak

ECLI:NL:RVS:2026:4096, Raad van State, 17-07-2026, BRS.26.003319

Raad van StateUitspraak: 17 juli 2026Publicatie: 15 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.003319
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Vreemdelingenzaak
Schorsing Uitspraak
Psychische Kwetsbaarheid

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Kern van de zaak

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) in een vreemdelingenzaak. De minister verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State de rechtbankuitspraak te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. Betrokkene heeft zich verweerd maar geen medische stukken of belangen onderbouwd.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst de uitspraak van de rechtbank. Doorslaggevend is dat naar voorlopig oordeel de rechtbankuitspraak in hoger beroep waarschijnlijk geen stand houdt, en dat betrokkene zijn gestelde psychische kwetsbaarheid niet heeft onderbouwd met medische stukken of anderszins relevante belangen heeft aangevoerd.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een procedurele voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is sterk feitelijk bepaald en heeft geen bredere precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig dat de rechtbankuitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven.
  • 2Betrokkene heeft geen belangen aangevoerd en de door de rechtbank geconstateerde psychische kwetsbaarheid niet met medische stukken onderbouwd.
  • 3Door de schorsing herleven de rechtsgevolgen van het ministerieel besluit van 26 mei 2026 volledig.
  • 4De rechtsgevolgen van het besluit gelden onverkort totdat de Afdeling definitief op het hoger beroep heeft beslist.
  • 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan betrokkene.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak illustreert dat een partij die in een voorlopige voorzieningsprocedure bij de Raad van State zijn belangen niet concreet onderbouwt – met name bij gestelde kwetsbaarheid zonder medische stukken – een sterke processuele positie prijsgeeft. De drempel voor schorsing van een lagere rechterlijke uitspraak ligt bij aannemelijkheid van succes in hoger beroep.

Praktische impact

Voor betrokkene betekent de schorsing dat het besluit van 26 mei 2026 – vermoedelijk een verblijfsrechtelijk besluit – onmiddellijk weer van kracht is en hij/zij de gevolgen daarvan ondergaat totdat de Afdeling definitief heeft beslist. Dit kan ingrijpende gevolgen hebben voor de verblijfsstatus van betrokkene.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken onderstreept deze uitspraak het belang van een adequate proceshouding: wie een beroep doet op psychische kwetsbaarheid of andere persoonlijke belangen moet dat staven met concrete en medische documentatie, anders wordt daarmee geen rekening gehouden in de afweging.

Samenvatting

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 17 juli 2026 een voorlopige voorziening getroffen op verzoek van de minister. De minister had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) van 26 juni 2026 in een vreemdelingenzaak, en verzocht tegelijkertijd de rechtbankuitspraak te schorsen in afwachting van de uitkomst van dat hoger beroep. De rechtsvraag in deze procedure betreft of voldoende aannemelijk is dat de rechtbankuitspraak in hoger beroep geen stand zal houden, en of de belangen van de minister bij schorsing zwaarder wegen dan de belangen van betrokkene bij instandhouding van de uitspraak. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag in het voordeel van de minister. Naar voorlopig oordeel is niet aannemelijk dat de rechtbankuitspraak in hoger beroep overeind blijft. Daarbij speelt een zwaarwegende rol dat betrokkene in zijn schriftelijke uiteenzetting geen concrete belangen heeft gesteld die zich verzetten tegen schorsing. De rechtbank had weliswaar een psychische kwetsbaarheid van betrokkene geconstateerd, maar betrokkene heeft die vaststelling in de voorlopige voorzieningsprocedure op geen enkele wijze onderbouwd: er zijn geen medische stukken overgelegd en er is geen nadere toelichting gegeven. Door de schorsing herleven de rechtsgevolgen van het ministerieel besluit van 26 mei 2026 onverkort. Dit betekent dat de situatie van vóór de rechtbankuitspraak in rechte wordt hersteld en de gevolgen van dat besluit – naar alle waarschijnlijkheid een afwijzing van een verblijfsvergunning of een terugkeerbesluit – opnieuw van toepassing zijn op betrokkene totdat de Afdeling in de hoofdzaak heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 25 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied