JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4095Laag18/100

Minister asiel krijgt geen schorsing rechtbankuitspraak vreemdelingenzaak

ECLI:NL:RVS:2026:4095, Raad van State, 16-07-2026, BRS.26.003177

Raad van StateUitspraak: 16 juli 2026Publicatie: 14 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.003177
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Vreemdelingenwet
Spoedeisend Belang
Minister Asiel

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 16 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

De minister van Asiel en Migratie verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij een uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2026 niet hoefde uit te voeren in afwachting van de beslissing op zijn hoger beroep in een vreemdelingenzaak.

Beslissing van de rechter

Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen omdat de minister geen spoedeisend belang heeft aangetoond: de termijn voor het nemen van een nieuw besluit (minimaal zes maanden) loopt nog, en voor het verstrijken daarvan wordt een uitspraak op het hoger beroep verwacht. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene (€ 934,00).

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een procedurele tussenbeslissing over een verzoek om voorlopige voorziening zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie en heeft geen bredere precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1De minister verzocht schorsing van de uitvoering van een rechtbankuitspraak hangende hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
  • 2Op grond van artikel 42, eerste lid, Vw 2000 geldt een beslistermijn van ten minste zes maanden na verzending van de uitspraak van 18 juni 2026.
  • 3De voorzieningenrechter oordeelt dat een uitspraak in het hoger beroep verwacht wordt vóór het aflopen van de beslistermijn.
  • 4De minister heeft geen andere spoedeisende omstandigheden aangevoerd die een voorziening zouden rechtvaardigen.
  • 5De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 934,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat een minister als verzoekende partij bij een voorlopige voorziening spoedeisend belang concreet moet onderbouwen; het enkele feit dat hoger beroep loopt is daarvoor onvoldoende. Het bevestigt daarmee de standaardjurisprudentie over de vereisten voor een voorlopige voorziening in vreemdelingenzaken.

Praktische impact

De minister moet binnen de wettelijke termijn van zes maanden na de rechtbankuitspraak een nieuw besluit nemen op de verblijfsaanvraag van betrokkene, en kan de uitvoering van de rechtbankuitspraak niet uitstellen. Betrokkene ontvangt € 934,00 aan proceskosten vergoed.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken heeft de overheid als procespartij geen bevoorrechte positie bij het verkrijgen van een schorsing: ook de minister moet voldoen aan de algemene vereisten voor spoedeisend belang.

Samenvatting

De minister van Asiel en Migratie had bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening te treffen op grond waarvan hij de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2026 niet hoefde uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep zou hebben beslist. Het ging om een vreemdelingenzaak waarbij de rechtbank de minister kennelijk had opgedragen een nieuw besluit te nemen op een verblijfsaanvraag. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. De redenering is tweeledig. Ten eerste volgt uit artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 dat de minister ten minste zes maanden de tijd heeft om na de uitspraak van 18 juni 2026 een nieuw besluit te nemen. Ten tweede wordt verwacht dat de Afdeling op het hoger beroep uitspraak doet vóórdat die termijn verloopt. Omdat de minister geen verdere bijzondere of spoedeisende omstandigheden heeft aangevoerd die een onmiddellijke schorsing zouden rechtvaardigen, bestaat er op dit moment geen grond voor het treffen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister tevens in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is procedureel van aard en bevestigt het vaste uitgangspunt dat ook een overheidsorgaan dat als verzoeker optreedt concreet spoedeisend belang moet aantonen om een schorsende werking te verkrijgen. Het enkele aanhangig zijn van hoger beroep is daarvoor onvoldoende wanneer de wettelijke beslistermijn toereikende ruimte biedt om een definitieve rechterlijke uitspraak af te wachten.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 26 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied