Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4088, Raad van State, 16-07-2026, BRS.26.003376
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 10 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen en opvang en verstrekkingen te verkrijgen hangende dat hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is dat gelet op hetgeen is aangevoerd aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening, conform vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een standaard voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsregels of bredere precedentwerking; de juridische impact beperkt zich tot de zaak zelf.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst hangende hoger beroep
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen is mede onderdeel van het verzoek
- 3Toepassing van vaste Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskostenvergoeding van € 934,00
- 5Beslissing is van voorlopige aard; eindoordeel volgt in het hoger beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de standaard Afdelingslijn toe waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen om uitzetting te schorsen hangende hoger beroep; zij heeft geen zelfstandige precedentwaarde maar bevestigt de bestaande praktijk.
Praktische impact
De vreemdeling kan voorlopig niet worden uitgezet en behoudt daarmee de facto zijn verblijf in Nederland totdat de hogerberoepsprocedure is afgerond, wat aanzienlijke gevolgen heeft voor zijn persoonlijke situatie.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt de uitspraak dat verzoeken om schorsing van uitzetting hangende hoger beroep, mits voldoende onderbouwd, door de voorzieningenrechter routinematig worden gehonoreerd.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie en verzocht om een voorlopige voorziening die hem beschermt tegen uitzetting zolang dat hoger beroep nog loopt. Hij vroeg daarnaast om opvang en verstrekkingen hangende de procedure. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek beoordeeld en de voorlopige voorziening toegewezen. Op grond van hetgeen door verzoeker is aangevoerd, en met toepassing van de vaste Afdelingslijn zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op zijn hoger beroep is beslist. De uitspraak legt geen inhoudelijk oordeel neer over de onderliggende asielprocedure of de rechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit; dat oordeel is voorbehouden aan de behandeling van het hoger beroep ten gronde. Wel heeft de voorzieningenrechter de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan professioneel verleende rechtsbijstand. De praktische betekenis voor de vreemdeling is groot: hij blijft voorlopig gevrijwaard van uitzetting en behoudt daarmee zijn feitelijke verblijf in Nederland. Juridisch gezien is de uitspraak weinig baanbrekend; zij past naadloos in de bestaande rechterlijke praktijk rondom schorsingsverzoeken in vreemdelingenzaken. De uitkomst van de bodemprocedure in hoger beroep zal bepalen of de vreemdeling uiteindelijk recht heeft op verblijf in Nederland.