Uitzetting vreemdeling geschorst tot hoger beroep beslist
ECLI:NL:RVS:2026:4082, Raad van State, 16-07-2026, BRS.26.003363
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen en opvang te waarborgen, hangende het door hem ingestelde hoger beroep in een asielprocedure.
Beslissing van de rechter
De voorlopige voorziening is toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,00. De voorzieningenrechter acht de aangevoerde gronden voldoende om ingrijpen te rechtvaardigen, onder verwijzing naar de vaste lijn uit de uitspraak van 20 februari 2019.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige procedurele tussenbeslissing die geen nieuwe rechtsregels stelt en uitsluitend ziet op het schorsen van uitzetting hangende hoger beroep; de bodemprocedure moet nog worden beslist.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort tot beslissing op hoger beroep
- 2Verzoek omvat ook opvang en verstrekkingen gedurende de procedure
- 3Grondslag: vaste RvS-lijn (ECLI:NL:RVS:2019:457) inzake schorsende werking bij hoger beroep
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5De uitspraak is beperkt tot een voorlopige maatregel; de bodemprocedure (hoger beroep) loopt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste praktijk dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bij voldoende aangevoerde gronden uitzetting schorst in afwachting van een hoger beroepsprocedure, conform de precedentlijn van 2019. Er wordt geen nieuw rechtsprincipe gesteld.
Praktische impact
De vreemdeling is voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op opvang en verstrekkingen gedurende de behandeling van het hoger beroep. De minister draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht onderstreept deze uitspraak het belang van de mogelijkheid tot het verkrijgen van een schorsende voorlopige voorziening als waarborg tegen onherstelbare schade bij uitzetting vóór inhoudelijke beoordeling.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling zich gewend tot de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met het verzoek om bij wijze van voorlopige voorziening zijn uitzetting te schorsen totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Tevens verzocht hij om toekenning van opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De voorzieningenrechter heeft het verzoek gehonoreerd. Op basis van de aangevoerde gronden en met verwijzing naar de vaste lijn van de Afdeling — neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457) — is geoordeeld dat er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep nog niet is beslist. Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, begroot op € 934,00, geheel toe te rekenen aan professioneel verleende rechtsbijstand. De uitspraak betreft uitsluitend een ordemaatregel en laat het inhoudelijke oordeel over de rechtmatigheid van de terugkeerbeslissing of het asielrelaas volledig open. De bodemprocedure in hoger beroep moet nog worden behandeld en beslist. Juridisch gezien introduceert deze uitspraak geen nieuw recht: zij past de bestaande standaardlijn toe die de Afdeling hanteert bij dit soort verzoeken. De praktische betekenis voor de vreemdeling is echter direct en concreet: hij is voorlopig gevrijwaard van uitzetting en behoudt recht op opvang gedurende de lopende procedure.