JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4081Laag12/100

RvS onbevoegd: hoger beroep bewaring vreemdeling niet mogelijk

ECLI:NL:RVS:2026:4081, Raad van State, 16-07-2026, BRS.26.002340

Raad van StateUitspraak: 16 juli 2026Publicatie: 14 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.002340
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Vreemdelingenbewaring
Vreemdelingenwet
Onbevoegdheid
Eerlijk Proces
Hoger Beroep Uitsluiting

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 23 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel (vreemdelingenbewaring). De zaak betreft de toepassing van artikel 96 Vw 2000.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Doorslaggevend is dat artikel 84, aanhef en onder a, Vw 2000 hoger beroep tegen uitspraken over het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel expliciet uitsluit, en de uitzondering (schending eerlijk proces) zich hier niet voordoet.

12van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past geheel binnen vaste jurisprudentie en betreft een procedurele onbevoegdheidsverklaring zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de impact reikt niet verder dan de individuele zaak.

Belangrijkste punten

  • 1Hoger beroep tegen uitspraken over voortduring vreemdelingenbewaring (art. 96 Vw 2000) is wettelijk uitgesloten op grond van art. 84 aanhef en onder a Vw 2000
  • 2Het verbod op hoger beroep kan slechts worden doorbroken indien er geen sprake is geweest van een eerlijk proces
  • 3De Afdeling oordeelt dat van een schending van het recht op een eerlijk proces in dit geval geen sprake is
  • 4De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten
  • 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat duidt op een standaardprocedure zonder bijzondere rechtsvragen

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de wettelijke uitsluiting van hoger beroep in bewarингszaken (art. 84 Vw 2000) strikt wordt toegepast, en dat de doorbrekingsjurisprudentie alleen van toepassing is bij aantoonbare schending van het recht op een eerlijk proces.

Praktische impact

Voor vreemdelingen in bewaring betekent dit dat rechtsmiddelen tegen de voortduring van de maatregel beperkt zijn tot de rechtbank; hogerberoepsmogelijkheden bestaan slechts in uitzonderlijke omstandigheden.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenbewaringszaken wordt de toegang tot de hogerberoepsrechter structureel beperkt gehouden, wat de snelheid van besluitvorming bevordert maar de rechtsbescherming van vreemdelingen inperkt.

Samenvatting

Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2026 betreft een hoger beroep ingesteld door een vreemdeling, bijgestaan door mr. C.F. Wassenaar, tegen een uitspraak van de rechtbank over het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De centrale rechtsvraag is of de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van dit hoger beroep. Artikel 84, aanhef en onder a, Vw 2000 sluit hoger beroep tegen dergelijke uitspraken uitdrukkelijk uit. De appellant stelde kennelijk gronden aan dat er desondanks reden was het hoger beroep in behandeling te nemen, maar de Afdeling verwerpt dit standpunt. De Afdeling overweegt dat het wettelijk verbod op hoger beroep slechts kan worden doorbroken indien de rechtbank het beginsel van een eerlijk proces heeft geschonden. Dit is de zogenoemde doorbrekingsjurisprudentie, die zijn oorsprong vindt in de civiele rechtspraak en ook in het bestuursprocesrecht wordt toegepast. In dit geval doet een dergelijke schending zich echter niet voor: er is geen aanwijzing dat appellant geen eerlijk proces bij de rechtbank heeft gehad. De Afdeling verklaart zich dan ook onbevoegd het hoger beroep te behandelen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de maatregel of de gronden van appellant komt de Afdeling niet toe. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is in lijn met vaste rechtspraak en voegt geen nieuwe rechtsontwikkeling toe. Zij illustreert echter wel de beperkte rechtsbescherming die vreemdelingen in bewaring genieten op het niveau van de hogerberoepsrechter, een aspect dat in de praktijk en in de rechtswetenschappelijke literatuur regelmatig onderwerp van discussie is.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 23 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied