Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond, voorlopige voorziening afgewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4080, Raad van State, 15-07-2026, BRS.26.003373
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 2 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak. Tegelijkertijd verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De exacte toedracht van de onderliggende zaak blijkt niet uit de beschikbare tekst.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De voorzieningenrechter heeft de motivering van de rechtbank volledig overgenomen, omdat het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (artikel 91 lid 2 Vw 2000).
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen of precedentwerking. De verwijzing naar het Remling-arrest is informatief maar niet richtinggevend voor de Nederlandse rechtsontwikkeling.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: vereenvoudigde afdoening zonder nadere motivering
- 2Voorzieningenrechter neemt de motivering van de rechtbank onder overwegingen 5.2 en 5.4 integraal over
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (conform HvJEU 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
- 4Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen als gevolg van ongegrondverklaring hoger beroep
- 5Minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de standaard vereenvoudigde afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe en voegt geen nieuwe rechtsontwikkeling toe. Vermeldenswaardig is de verwijzing naar het recente HvJEU-arrest Remling (2026) inzake de Unierechtelijke component van de motiveringsplicht.
Praktische impact
Voor de appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat de rechtbankbeslissing onherroepelijk wordt en dat geen schorsende werking meer geldt via de voorlopige voorziening. De verdere rechtspositie van de vreemdeling is afhankelijk van de inhoud van de onderliggende zaak, die niet volledig uit de tekst blijkt.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak de vaste praktijk van verkorte afdoening in hoger beroep, waarbij de Afdeling bij gebrek aan relevante rechtsvragen geen uitgebreide motivering verplicht is.
Samenvatting
Op 15 juli 2026 deed de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in een vreemdelingenrechtelijke zaak. Een appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De inhoud van de onderliggende procedure is op basis van de beschikbare tekst slechts beperkt te reconstrueren, aangezien enkel de overwegingen en het dictum zijn weergegeven. De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is. Daartoe werd toepassing gegeven aan artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan een nadere motivering achterwege kan blijven wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De motivering van de rechtbank, neergelegd in overwegingen 5.2 en 5.4 van de aangevallen uitspraak, werd integraal overgenomen. Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter dat het hogerberoepschrift evenmin vragen opwerpt over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht. In dit verband werd verwezen naar het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243, punt 24), waaruit de maatstaf voor deze beoordeling volgt. Als rechtstreeks gevolg van de ongegrondverklaring van het hoger beroep werd ook het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De minister werd niet veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is een standaard toepassing van de vereenvoudigde afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken en heeft geen zelfstandige precedentwerking.