JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:408Laag28/100

Schadefonds-uitkering afgewezen wegens onvoldoende objectief bewijs geweldsmisdrijf

ECLI:NL:RVS:2026:408, Raad van State, 13-01-2026, 202408084/1/A2

Raad van StateUitspraak: 13 januari 2026Publicatie: 23 januari 2026
Zaaknummer:202408084/1/A2
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Schadevergoeding
Overheid
Bewijslast
Schadefonds Geweldsmisdrijven
Geweldsmisdrijf
Objectieve Aanwijzingen
Slachtofferhulp

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (schadefonds) afgewezen. Bij besluit van 31 mei 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Een aanvrager van een uitkering uit het schadefonds moet met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Als geen aangifte is gedaan en er geen strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, moet de aanvrager met voldoende objectieve aanwijzingen komen om een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de overgelegde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat [appellante] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, omdat deze stukken onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten.

Kern van de zaak

Een vrouw vroeg een uitkering aan bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven na naar eigen zeggen slachtoffer te zijn geworden van een opzettelijk geweldsmisdrijf. Zonder aangifte of strafrechtelijk onderzoek beschikte zij alleen over haar eigen verklaring en overige stukken. De CSG wees de aanvraag af omdat objectieve aanwijzingen ontbraken.

Beslissing van de rechter

De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Doorslaggevend is dat de overgelegde stukken onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten om aannemelijk te maken dat sprake was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, en dat een eigen verklaring van het slachtoffer daarvoor op zichzelf onvoldoende is.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak van de Afdeling en stelt geen nieuwe rechtsregels; de praktische betekenis is beperkt tot toepassingen van de bekende bewijsstandaard bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Belangrijkste punten

  • 1Een aanvrager moet met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk maken dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
  • 2Bij afwezigheid van aangifte en strafrechtelijk onderzoek geldt een verzwaarde bewijslast voor de aanvrager.
  • 3Een eigen verklaring van het slachtoffer is op zichzelf onvoldoende om aannemelijkheid vast te stellen.
  • 4De opmerking van de CSG dat zij de aanvrager niet ongeloofwaardig vindt, houdt geen erkenning in van het geweldsmisdrijf.
  • 5De Afdeling passeert een processueel gebrek (rechtbank ging niet in op een betoog) omdat het hoger beroepsgrond inhoudelijk niet kan slagen.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn in de rechtspraak van de Afdeling dat bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven objectieve aanwijzingen vereist zijn naast de verklaring van het slachtoffer, en verduidelijkt dat een beleefdheidszin van de CSG over geloofwaardigheid niet als erkenning van het misdrijf mag worden uitgelegd.

Praktische impact

Slachtoffers die geen aangifte hebben gedaan en geen strafrechtelijk onderzoek hebben laten uitvoeren, dienen andere objectieve bewijsmiddelen te verzamelen (zoals medische verslagen, getuigenverklaringen of forensisch bewijs) om een succesvol beroep op het schadefonds te kunnen doen.

Onderwerp-impact

Voor slachtoffers van geweldsmisdrijven die geen strafrechtelijke route bewandelen, maakt deze uitspraak duidelijk dat de drempel voor een schadefonds-uitkering hoog blijft en louter subjectieve verklaringen onvoldoende zijn.

Samenvatting

In deze zaak vroeg een vrouw een uitkering aan bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG), stellende dat zij slachtoffer was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Zij had geen aangifte gedaan en er had geen strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden. De CSG wees de aanvraag af, omdat de overgelegde stukken onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten om het gestelde geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. Het bezwaar en het daaropvolgende beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant werden beide ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de CSG in haar besluit had opgemerkt haar niet te willen zeggen dat zij haar niet geloofde, hetgeen volgens haar een erkenning inhield van het geweldsmisdrijf. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verwerpt dit betoog. De betreffende opmerking betreft een beleefdheidszin die geen juridische erkenning van het misdrijf inhoudt. Uit de wet en vaste rechtspraak van de Afdeling volgt immers dat de enkele verklaring van een slachtoffer onvoldoende is om de aannemelijkheid van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf vast te stellen; er zijn objectieve aanwijzingen vereist. De Afdeling constateert tevens dat de rechtbank niet expliciet is ingegaan op dit betoog, maar passeert dit processuele gebrek omdat het betoog inhoudelijk niet kan slagen en de uitkomst daardoor niet anders zou zijn. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak. De uitspraak onderstreept de vaste bewijsstandaard bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven: wie zonder aangifte of strafrechtelijk onderzoek een uitkering aanvraagt, draagt een zware bewijslast en dient objectieve, verifieerbare aanwijzingen te overleggen. Subjectieve geloofwaardigheid van het slachtoffer volstaat niet.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 4 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:358Laag
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:358, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 25/72

College van Beroep voor het bedrijfsleven4 aug 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:360Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:360, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 24/738

College van Beroep voor het bedrijfsleven4 aug 2026OverheidHandhaving
18/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:359Laag
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:359, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 25/122

College van Beroep voor het bedrijfsleven4 aug 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:356Laag
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:356, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 24/1113

College van Beroep voor het bedrijfsleven4 aug 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied