Bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening na maatregel
ECLI:NL:CBB:2026:360, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 24/738
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Termijnoverschrijding indienen bezwaar. Vaststaat dat de laatste dag van de bezwaartermijn 5 januari 2024 was. Het pro forma bezwaarschrift is op (maandag) 8 januari 2024 per e-mail door de gemachtigde van appellante verzonden en door de staatssecretaris ontvangen. De gemachtigde van appellante verklaart daarin dat hij het besluit tot het opleggen van de maatregel het weekend daarvoor - dus het weekend van 6 en 7 januari 2024 - van appellante heeft ontvangen. De bezwaartermijn was toen al verlopen. Volgens de gemachtigde van appellante is de termijnoverschrijding verschoonbaar, omdat de staatssecretaris heeft nagelaten het besluit tot het opleggen van de maatregel (ook) aan hem als gemachtigde te sturen. Dit argument treft naar het oordeel van het College geen doel, omdat niet is gebleken dat de staatssecretaris vóór de ontvangst van genoemde e-mail van 8 januari 2024 al wist dat appellante zich in deze procedure zou laten bijstaan door deze gemachtigde. De staatssecretaris heeft op zitting ook bevestigd dat hij dit niet wist. De staatssecretaris heeft het bezwaar van appellante daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Deze beroepsgrond slaagt niet. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.
Kern van de zaak
Een persoon ([naam]) ontving op 24 november 2023 een maatregel van de staatssecretaris. Het bezwaarschrift werd echter pas op 8 januari 2024 ingediend, drie dagen na het verstrijken van de bezwaartermijn op 5 januari 2024. De gemachtigde stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat de staatssecretaris hem als gemachtigde niet had geïnformeerd.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart het beroep ongegrond. De staatssecretaris heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is: de staatssecretaris was vóór 8 januari 2024 niet op de hoogte van de gemachtigde en was dus niet gehouden het besluit ook aan hem te zenden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen de gevestigde rechtspraktijk rondom termijnoverschrijding en verschoonbaarheid in het bestuursrecht en stelt geen nieuwe rechtsnormen. De zaak heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De bezwaartermijn van zes weken verstreek op 5 januari 2024; het bezwaarschrift werd op 8 januari 2024 ingediend.
- 2Een termijnoverschrijding is alleen verschoonbaar als de oorzaak buiten de macht van de indiener ligt; dat was hier niet het geval.
- 3De staatssecretaris kon niet gehouden zijn het besluit aan de gemachtigde te zenden, nu hij vóór 8 januari 2024 niet wist dat [naam] zich liet bijstaan door een gemachtigde.
- 4Het bezwaar tegen de opheffing van de maatregel (besluit 20 december 2023) is ongegrond verklaard wegens gebrek aan inhoudelijke onderbouwing door appellante.
- 5Het College bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring en het ongegrondverklaring van de staatssecretaris volledig.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een gemachtigde pas recht heeft op toezending van besluiten als de bestuursorgaan tijdig van diens betrokkenheid op de hoogte is gesteld. Een termijnoverschrijding is niet verschoonbaar enkel omdat de gemachtigde het besluit niet rechtstreeks ontving.
Praktische impact
Betrokkenen dienen hun gemachtigde tijdig in te schakelen en het bestuursorgaan hiervan direct in kennis te stellen, zodat het orgaan de gemachtigde in de procedure kan betrekken en de bezwaartermijn niet ongemerkt verstrijkt.
Onderwerp-impact
Voor gevallen waarbij de overheid maatregelen oplegt, onderstreept deze uitspraak het belang van tijdige machtigingstelling aan het bevoegd gezag om termijnproblemen te voorkomen.
Samenvatting
In deze zaak oordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven over een beroep van [naam] tegen een beslissing op bezwaar van de staatssecretaris. De staatssecretaris had op 24 november 2023 een maatregel opgelegd aan [naam]. De bezwaartermijn van zes weken eindigde op 5 januari 2024. De gemachtigde van [naam] diende het pro forma bezwaarschrift echter pas op maandag 8 januari 2024 per e-mail in, nadat hij het besluit het voorgaande weekend van zijn cliënte had ontvangen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De gemachtigde betoogde dat deze overschrijding verschoonbaar was, omdat de staatssecretaris had nagelaten het besluit ook aan hem als gemachtigde te sturen. Het College verwerpt dit betoog. Doorslaggevend is dat de staatssecretaris vóór ontvangst van de e-mail op 8 januari 2024 niet wist — en ook niet hoefde te weten — dat [naam] zich door deze gemachtigde liet bijstaan. Er bestond voor de staatssecretaris dan ook geen verplichting het besluit aan de gemachtigde te zenden. De termijnoverschrijding is daarmee niet verschoonbaar. Daarnaast heeft [naam] beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van haar bezwaar inzake de opheffing van de maatregel bij besluit van 20 december 2023. Zij heeft echter nagelaten dit onderdeel inhoudelijk te onderbouwen, zodat het College ook dit beroepsonderdeel verwerpt. De uitkomst is dat het beroep in zijn geheel ongegrond is. De zaak illustreert het belang van tijdige inschakeling van een gemachtigde én van het tijdig kenbaar maken van diens betrokkenheid aan het bestuursorgaan, zodat de bezwaartermijn niet ongemerkt kan verstrijken.