Uitzetting vreemdeling geschorst in afwachting hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4077, Raad van State, 14-07-2026, BRS.26.003419
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet en dat hij recht krijgt op opvang en verstrekkingen, in afwachting van de beslissing op zijn hoger beroep in een vreemdelingenzaak.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld in de proceskosten. De doorslaggevende reden is dat op grond van de aangevoerde omstandigheden aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, conform vaste jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige toepassing van vaste jurisprudentie in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort tot beslissing op hoger beroep
- 2Verzoek omvatte tevens opvang en verstrekkingen gedurende de procedure
- 3Grondslag is vaste Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457 van 20 februari 2019)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding proceskosten van € 934,00
- 5Proceskosten volledig toegerekend aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de vaste lijn toe van de Afdeling bestuursrechtspraak inzake het treffen van voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Zij bevestigt dat bij voldoende aangevoerde gronden een uitzettingsverbod hangende hoger beroep wordt opgelegd.
Praktische impact
De vreemdeling is beschermd tegen uitzetting gedurende de hoger beroepsprocedure en heeft recht op opvang en verstrekkingen in die periode. De minister dient de proceskosten te vergoeden.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt de voorlopige voorziening een effectief instrument om uitzetting te voorkomen zolang een bodemprocedure loopt, wat de rechtsbescherming van asielzoekers en andere vreemdelingen in de praktijk versterkt.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een vreemdeling de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening in het kader van een lopende hoger beroepsprocedure. Concreet vroeg verzoeker om bescherming tegen uitzetting hangende dat beroep, alsmede om toegang tot opvang en verstrekkingen gedurende de procedure. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld en, gelet op hetgeen door verzoeker is aangevoerd, aanleiding gezien de gevraagde voorziening te treffen. Daartoe werd verwezen naar de vaste Afdelingsjurisprudentie zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), op grond waarvan in dit type zaken een voorlopige voorziening wordt getroffen wanneer de aangevoerde gronden daartoe aanleiding geven. Bij wijze van voorlopige voorziening is bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Verder is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een toepassing van gevestigde jurisprudentie en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Praktisch gezien biedt zij de vreemdeling tijdelijke rechtsbescherming: hij kan niet worden uitgezet voordat zijn hoger beroep inhoudelijk is beoordeeld. De uitspraak illustreert het belang van de voorlopige voorziening als instrument voor rechtsbescherming in het vreemdelingenrecht, waarbij de rechter snel kan ingrijpen om onomkeerbare gevolgen van een uitzetting te voorkomen zolang de hoofdzaak nog loopt.