Hoger beroep vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden
ECLI:NL:RVS:2026:4076, Raad van State, 16-07-2026, BRS.26.002818
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Kern van de zaak
Een appellant in een vreemdelingenzaak heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank. Hij verzocht om een nadere termijn voor het indienen van de beroepsgronden, maar de Vreemdelingenwet 2000 biedt die mogelijkheid niet. De gronden werden niet tijdig ingediend.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat appellant vóór het verstrijken van de hogerberoepstermijn (12 juni 2026) geen gronden heeft ingediend, zoals artikel 85 Vw 2000 vereist, en de wet geen ruimte biedt voor een nadere termijn.
Impactscore
LaagDe uitspraak past vaste en bekende rechtspraak toe over artikel 85 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de zaak is procedureel van aard en heeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep ingesteld op 9 juni 2026, met verzoek om nadere termijn voor gronden
- 2Artikel 85 Vw 2000 vereist dat gronden binnen de hogerberoepstermijn worden ingediend
- 3De Nederlandse vreemdelingenwet kent geen mogelijkheid tot verlenging van de grondentermijn
- 4Hogerberoepstermijn liep tot en met 12 juni 2026; geen gronden ingediend vóór die datum
- 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 85 Vw 2000: het ontbreken van tijdig ingediende gronden leidt dwingend tot niet-ontvankelijkheid, zonder ruimte voor een hersteltermijn. Dit is vaste lijn in de vreemdelingenrechtspraak.
Praktische impact
Voor vreemdelingen en hun gemachtigden benadrukt deze uitspraak dat het verzoek om een nadere termijn in hoger beroep in vreemdelingenzaken zinloos en juridisch kansloos is; gronden moeten altijd tijdig worden ingediend.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht betekent dit dat de toegang tot de hogerberoepsrechter definitief wordt afgesneden bij het ontbreken van tijdige gronden, waarmee het eerdere oordeel van de rechtbank onherroepelijk wordt.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juli 2026 het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van tijdig ingediende beroepsgronden. Appellant had op 9 juni 2026 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, waarbij hij tevens verzocht om een nadere termijn om de gronden van zijn hoger beroep in te dienen. De Afdeling stelt vast dat de hogerberoepstermijn liep tot en met 12 juni 2026. Op grond van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dienen de gronden van het hoger beroep binnen deze termijn te worden ingediend. De wet biedt geen mogelijkheid om deze termijn te verlengen of om een nadere termijn te gunnen. Omdat appellant vóór 12 juni 2026 geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd waaruit blijkt waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, is de Afdeling niet in staat een inhoudelijk oordeel te geven. Het hoger beroep is dan ook niet-ontvankelijk verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is procedureel van aard en bevestigt de al lang gevestigde, strikte lijn in de vreemdelingenrechtspraak: het indienen van gronden is een constitutief vereiste voor ontvankelijkheid in hoger beroep, en een verzoek om verlenging van de grondentermijn biedt geen uitkomst. Voor rechtzoekenden in vreemdelingenzaken onderstreept dit nogmaals het cruciale belang van tijdige en volledige procesvoering, nu zelfs een kort uitstelverzoek niet afdoende is om ontvankelijkheid te bewerkstelligen.