Minister veroordeeld in proceskosten na passeren ondertekeningsgebrek
ECLI:NL:RVS:2026:4067, Raad van State, 15-07-2026, BRS.25.000227
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 1 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Appellanten gingen in hoger beroep omdat de rechtbank, ondanks het passeren van een gebrek in de ondertekening van een besluit van de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 6:22 Awb, had nagelaten de minister in de proceskosten te veroordelen. Appellanten vonden dat dit passeren wél aanleiding had moeten geven tot een proceskostenveroordeling.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard: de Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover zij heeft nagelaten de minister in de proceskosten te veroordelen, en veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,00 aan proceskosten voor zowel beroep als hoger beroep. De doorslaggevende reden is dat het passeren van een gebrek met artikel 6:22 Awb in beginsel leidt tot een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevestigt een reeds in februari 2025 uitgezette lijn en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; de praktische gevolgen zijn beperkt tot correcte toepassing van de proceskostenregel bij artikel 6:22 Awb.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 6:22 Awb (passeren van gebreken) brengt mee dat het bestuursorgaan in de proceskosten moet worden veroordeeld.
- 2De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak van 24 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:701) als rechtsvergelijkend precedent.
- 3De overige grieven worden verworpen zonder nadere motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen rechtseenheid-, rechtsontwikkelings- of rechtsbeschermingsvragen).
- 4Er rijzen ook geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (HvJEU 24 maart 2026, Remling, C‑2026:243).
- 5De minister wordt veroordeeld tot € 2.802,00 proceskosten voor zowel de beroepsfase als het hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat het passeren van een formeel gebrek met artikel 6:22 Awb automatisch aanleiding moet geven tot een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan, in lijn met de eerdere Afdelingsuitspraak van februari 2025.
Praktische impact
Appellanten ontvangen € 2.802,00 aan proceskosten; voor toekomstige vreemdelingenzaken geldt dat bestuursorganen die gebreken laten passeren rekening moeten houden met een verplichte proceskostenveroordeling.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratieprocedures dienen rechters bij toepassing van artikel 6:22 Awb consequent een proceskostenveroordeling uit te spreken, wat de rechtsbescherming van vreemdelingen versterkt.
Samenvatting
In deze zaak stelden appellanten hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats 's-Hertogenbosch) van 5 februari 2025 in een vreemdelingenzaak tegen de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank had weliswaar een gebrek in de ondertekening van het bestreden besluit geconstateerd, maar dit gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Desondanks had de rechtbank nagelaten de minister in de proceskosten te veroordelen. Appellanten betoogden terecht dat het passeren van een gebrek op grond van artikel 6:22 Awb wél aanleiding had moeten geven tot een proceskostenveroordeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderschrijft dit standpunt, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 24 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:701), waarin dit beginsel reeds was neergelegd. De overige grieven van appellanten worden zonder nadere motivering verworpen. De Afdeling past daarbij de vereenvoudigde afdoening van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe, nu het hogerberoepschrift geen vragen oproept die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en evenmin vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht (HvJEU 24 maart 2026, Remling). Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover zij heeft nagelaten de minister in de proceskosten te veroordelen, en bevestigt de uitspraak voor het overige. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 2.802,00 aan proceskosten, zowel voor de beroepsfase als voor het hoger beroep. De uitspraak bevestigt de bestendige lijn dat het passeren van formele gebreken door de rechter niet kosteloos mag zijn voor het bestuursorgaan dat die gebreken heeft veroorzaakt.