Vreemdeling krijgt voorlopige voorziening: uitzetting opgeschort
ECLI:NL:RVS:2026:4065, Raad van State, 15-07-2026, BRS.26.003101
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 6 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitzetbeslissing en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het hoger beroep is beslist. Hij vroeg tevens om opvang en verstrekkingen gedurende de procedure.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €934,00. De doorslaggevende reden is gelegen in de aangevoerde gronden, die voldoende aanleiding gaven voor het treffen van een voorlopige voorziening conform vaste jurisprudentie van de Afdeling.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De uitkomst is gebaseerd op vaste jurisprudentie en heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort totdat hoger beroep is beslist
- 2Grondslag: vaste lijn Afdeling bestuursrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 3Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van €934,00 proceskosten
- 4Proceskosten volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand
- 5Uitspraak is een voorlopige maatregel, geen eindoordeel over de rechtmatigheid van het uitzetbesluit
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken een voorlopige voorziening treft wanneer de aangevoerde gronden daartoe aanleiding geven, in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd.
Praktische impact
De vreemdeling wordt voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op proceskosten vergoeding. De minister kan de uitzetting pas uitvoeren na een definitieve uitspraak in hoger beroep.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenprocedures biedt deze uitspraak een concreet voorbeeld van hoe de voorzieningenrechter bescherming biedt tijdens lopende hoger beroepsprocedures, wat relevant is voor de rechtspraktijk rondom asiel en migratie.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, gelijktijdig met het instellen van hoger beroep. Hij verzocht primair dat hij niet zou worden uitgezet zolang op het hoger beroep niet is beslist, en voorts dat hem opvang en verstrekkingen zouden worden verstrekt gedurende de procedure. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de vaste lijn in de jurisprudentie van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond van de aangevoerde gronden zag de voorzieningenrechter aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Bij de beslissing is bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Dit betreft een schorsende werking van de uitzettingsmaatregel voor de duur van de hoger beroepsprocedure. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, begroot op €934,00, geheel wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een voorlopige maatregel en bevat geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het onderliggende uitzetbesluit. Het eindoordeel over de zaak is voorbehouden aan de Afdeling in de bodemprocedure. De beslissing volgt een gevestigde jurisprudentielijn en heeft daarmee beperkte precedentwerking, maar illustreert wel de beschermende functie van de voorlopige voorzieningsprocedure in het vreemdelingenrecht.