Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:4051, Raad van State, 15-07-2026, BRS.26.002464
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie geweigerd om appellant ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant), bijgestaan door mr. M. Terpstra, ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke procedure. De exacte inhoud van het geschil is niet volledig kenbaar uit de uitspraak, maar betreft een beslissing van de minister in het kader van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Raad van State paste de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevat geen nieuwe rechtsregels en is een standaard verkorte afdoening; de zaakspecifieke feiten zijn bovendien nauwelijks kenbaar uit de tekst, wat het maatschappelijk en juridisch gewicht verder beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte motivering omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen bevat
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 6 en 6.1) volledig over
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht, met verwijzing naar HvJ EU 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243)
- 4Geen proceskostenveroordeling ten laste van de minister
- 5Enkelvoudige kamer-afdoening, wat de routinematige aard van de zaak bevestigt
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking; de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 bevestigt de bestaande praktijk van de Afdeling om standaardzaken zonder rechtseenheidsvragen niet uitvoerig te motiveren. De verwijzing naar het Remling-arrest van het HvJ EU bevestigt dat ook de Unierechtelijke drempel voor nadere motivering niet was gehaald.
Praktische impact
Voor appellant betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat zijn rechtspositie ongewijzigd blijft; de beslissing van de minister staat onherroepelijk vast. Er bestaat geen recht op proceskostenvergoeding.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat de verkorte afdoeningsprocedure een gangbaar instrument blijft om hoger beroepen zonder meerwaarde voor de rechtsontwikkeling snel af te doen, wat de doorlooptijden bij de Afdeling beperkt houdt.
Samenvatting
In deze vreemdelingenrechtelijke procedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 juli 2026 het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. De exacte feitelijke achtergrond van het geschil — de aard van de ministeriële beslissing en de verblijfsrechtelijke positie van appellant — blijkt niet volledig uit de gepubliceerde uitspraaktekst, maar het betreft een procedure onder de Vreemdelingenwet 2000 waarbij de minister als procespartij optrad. De Afdeling paste de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat de uitspraak niet verder gemotiveerd hoeft te worden dan de overneming van de overwegingen 6 en 6.1 van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Evenmin werden vragen opgeworpen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). De zaak werd enkelvoudig afgedaan, wat kenmerkend is voor routinematige hoger beroepen in vreemdelingenzaken. Een proceskostenveroordeling ten laste van de minister bleef achterwege. Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat de rechtbankuitspraak en daarmee de beslissing van de minister onherroepelijk zijn geworden. Hoewel de uitspraak geen zelfstandige juridische betekenis heeft voor de bredere rechtsontwikkeling, illustreert zij het functioneren van de verkorte motiveringsregeling als doelmatigheidsinstrument in het Nederlandse vreemdelingenrecht.