JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4051Laag8/100

Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS

ECLI:NL:RVS:2026:4051, Raad van State, 15-07-2026, BRS.26.002464

Raad van StateUitspraak: 15 juli 2026Publicatie: 13 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.002464
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Verkorte Afdoening
Artikel 91 Vw2000
Verblijfsrecht
Vreemdelingenwet 2000

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 8 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie geweigerd om appellant ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling (appellant), bijgestaan door mr. M. Terpstra, ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke procedure. De exacte inhoud van het geschil is niet volledig kenbaar uit de uitspraak, maar betreft een beslissing van de minister in het kader van de Vreemdelingenwet 2000.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Raad van State paste de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.

8van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak bevat geen nieuwe rechtsregels en is een standaard verkorte afdoening; de zaakspecifieke feiten zijn bovendien nauwelijks kenbaar uit de tekst, wat het maatschappelijk en juridisch gewicht verder beperkt.

Belangrijkste punten

  • 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte motivering omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen bevat
  • 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 6 en 6.1) volledig over
  • 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht, met verwijzing naar HvJ EU 24 maart 2026, Remling (ECLI:EU:C:2026:243)
  • 4Geen proceskostenveroordeling ten laste van de minister
  • 5Enkelvoudige kamer-afdoening, wat de routinematige aard van de zaak bevestigt

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking; de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 bevestigt de bestaande praktijk van de Afdeling om standaardzaken zonder rechtseenheidsvragen niet uitvoerig te motiveren. De verwijzing naar het Remling-arrest van het HvJ EU bevestigt dat ook de Unierechtelijke drempel voor nadere motivering niet was gehaald.

Praktische impact

Voor appellant betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat zijn rechtspositie ongewijzigd blijft; de beslissing van de minister staat onherroepelijk vast. Er bestaat geen recht op proceskostenvergoeding.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat de verkorte afdoeningsprocedure een gangbaar instrument blijft om hoger beroepen zonder meerwaarde voor de rechtsontwikkeling snel af te doen, wat de doorlooptijden bij de Afdeling beperkt houdt.

Samenvatting

In deze vreemdelingenrechtelijke procedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 juli 2026 het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. De exacte feitelijke achtergrond van het geschil — de aard van de ministeriële beslissing en de verblijfsrechtelijke positie van appellant — blijkt niet volledig uit de gepubliceerde uitspraaktekst, maar het betreft een procedure onder de Vreemdelingenwet 2000 waarbij de minister als procespartij optrad. De Afdeling paste de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat de uitspraak niet verder gemotiveerd hoeft te worden dan de overneming van de overwegingen 6 en 6.1 van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Evenmin werden vragen opgeworpen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). De zaak werd enkelvoudig afgedaan, wat kenmerkend is voor routinematige hoger beroepen in vreemdelingenzaken. Een proceskostenveroordeling ten laste van de minister bleef achterwege. Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat de rechtbankuitspraak en daarmee de beslissing van de minister onherroepelijk zijn geworden. Hoewel de uitspraak geen zelfstandige juridische betekenis heeft voor de bredere rechtsontwikkeling, illustreert zij het functioneren van de verkorte motiveringsregeling als doelmatigheidsinstrument in het Nederlandse vreemdelingenrecht.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen