JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4040Laag18/100

Uitzetting vreemdeling opgeschort tijdens hoger beroep

ECLI:NL:RVS:2026:4040, Raad van State, 14-07-2026, BRS.26.003229

Raad van StateUitspraak: 14 juli 2026Publicatie: 10 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.003229
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Uitzetting
Vreemdelingenzaak
Opvang

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de ministervan Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijk een voorlopige voorziening gevraagd om niet te worden uitgezet en om opvang en verstrekkingen te krijgen gedurende de beroepsprocedure.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter van de Raad van State wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00. De beslissing is gebaseerd op de vaste lijn uit de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457).

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een standaard voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak op basis van vaste jurisprudentie; er wordt geen nieuw rechtsbeginsel geformuleerd en de uitkomst is casuïstisch van aard.

Belangrijkste punten

  • 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort tot beslissing op hoger beroep
  • 2Verzoek om opvang en verstrekkingen meegenomen in het toewijzende oordeel
  • 3Toepassing van vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag
  • 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
  • 5Uitspraak is een voorlopige maatregel; inhoudelijke beoordeling volgt in de hoofdzaak

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak dat bij voldoende aanleiding een voorlopige voorziening wordt getroffen om uitzetting te schorsen hangende hoger beroep in vreemdelingenzaken. Er wordt geen nieuw recht gesteld.

Praktische impact

De vreemdeling kan niet worden uitgezet zolang de hoger beroepsprocedure loopt en heeft recht op opvang en verstrekkingen in de tussentijd; de minister draagt de proceskosten.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken biedt deze uitspraak betrokkenen een bevestiging dat een verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting kansrijk kan zijn wanneer hoger beroep is ingesteld.

Samenvatting

In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd. Hij had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en verzocht de rechter om te bepalen dat hij gedurende deze procedure niet zou worden uitgezet en dat hij recht zou hebben op opvang en verstrekkingen. De juridische vraag was of er voldoende aanleiding bestond om een voorlopige maatregel te treffen teneinde de effectiviteit van het hoger beroep te waarborgen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en wijst het verzoek toe, met verwijzing naar de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond hiervan wordt bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan professioneel verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een voorlopige ordemaatregel en laat de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep onverlet. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld; de rechter past de bestaande lijn consequent toe. De praktische betekenis voor de vreemdeling is aanzienlijk: hij behoudt zijn verblijf in Nederland en zijn aanspraak op opvang gedurende de looptijd van de procedure. Voor de rechtsontwikkeling heeft de uitspraak een beperkte impact, omdat zij geheel steunt op gevestigde jurisprudentie.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 25 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen