Uitzetting vreemdeling opgeschort tijdens hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4040, Raad van State, 14-07-2026, BRS.26.003229
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de ministervan Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijk een voorlopige voorziening gevraagd om niet te worden uitgezet en om opvang en verstrekkingen te krijgen gedurende de beroepsprocedure.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Raad van State wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00. De beslissing is gebaseerd op de vaste lijn uit de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een standaard voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak op basis van vaste jurisprudentie; er wordt geen nieuw rechtsbeginsel geformuleerd en de uitkomst is casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort tot beslissing op hoger beroep
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen meegenomen in het toewijzende oordeel
- 3Toepassing van vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is een voorlopige maatregel; inhoudelijke beoordeling volgt in de hoofdzaak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak dat bij voldoende aanleiding een voorlopige voorziening wordt getroffen om uitzetting te schorsen hangende hoger beroep in vreemdelingenzaken. Er wordt geen nieuw recht gesteld.
Praktische impact
De vreemdeling kan niet worden uitgezet zolang de hoger beroepsprocedure loopt en heeft recht op opvang en verstrekkingen in de tussentijd; de minister draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt deze uitspraak betrokkenen een bevestiging dat een verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting kansrijk kan zijn wanneer hoger beroep is ingesteld.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd. Hij had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en verzocht de rechter om te bepalen dat hij gedurende deze procedure niet zou worden uitgezet en dat hij recht zou hebben op opvang en verstrekkingen. De juridische vraag was of er voldoende aanleiding bestond om een voorlopige maatregel te treffen teneinde de effectiviteit van het hoger beroep te waarborgen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en wijst het verzoek toe, met verwijzing naar de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond hiervan wordt bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan professioneel verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een voorlopige ordemaatregel en laat de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep onverlet. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld; de rechter past de bestaande lijn consequent toe. De praktische betekenis voor de vreemdeling is aanzienlijk: hij behoudt zijn verblijf in Nederland en zijn aanspraak op opvang gedurende de looptijd van de procedure. Voor de rechtsontwikkeling heeft de uitspraak een beperkte impact, omdat zij geheel steunt op gevestigde jurisprudentie.