Raad van State onbevoegd: verzet in vreemdelingenzaak niet mogelijk
ECLI:NL:RVS:2026:4032, Raad van State, 14-07-2026, BRS.26.002485
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij uitspraak van 12 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2657, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep van opposant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.47539 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.
Kern van de zaak
Een vreemdeling diende via zijn rechtsbijstandsverlener verzet in tegen een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 12 mei 2026, waarbij de zaak zonder zitting was afgedaan op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd om van het verzet kennis te nemen. De doorslaggevende reden is dat artikel 83c, eerste lid, van de Vw 2000 verzet uitsluit tegen uitspraken waarbij de Afdeling een vreemdelingenzaak zonder zitting heeft afgedaan.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de duidelijke wettekst van artikel 83c Vw 2000 toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; het betreft een standaard procedurele onbevoegdverklaring zonder precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 83c lid 1 Vw 2000 sluit verzet uit tegen uitspraken zonder zitting in vreemdelingenzaken
- 2De Afdeling verklaart zich onbevoegd om van het verzet kennis te nemen
- 3De minister van Asiel en Migratie hoeft geen proceskosten te vergoeden
- 4De zaak is door een enkelvoudige kamer afgedaan
- 5De uitspraak betreft een procedurele onbevoegdverklaring zonder inhoudelijke toetsing
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande wettelijke beperking van artikel 83c Vw 2000: in vreemdelingenzaken die zonder zitting zijn afgedaan staat het rechtsmiddel verzet niet open, waardoor de Afdeling onbevoegd is.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent dit dat het verzet geen doorgang vindt en de uitspraak van 12 mei 2026 onherroepelijk blijft; verdere rechtsmiddelen via verzet zijn in dit traject uitgesloten.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratiezaken beperkt deze uitspraak de procedurele mogelijkheden van vreemdelingen om via verzet op te komen tegen beslissingen die zonder zitting zijn genomen, wat de finaliteit van dergelijke uitspraken versterkt.
Samenvatting
In deze zaak deed een vreemdeling, vertegenwoordigd door een rechtsbijstandsverlener, verzet bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van 12 mei 2026. Die eerdere uitspraak was gewezen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en was tot stand gekomen zonder dat er een zitting had plaatsgevonden. De centrale rechtsvraag was of dit verzet ontvankelijk was en of de Afdeling bevoegd was om hiervan kennis te nemen. De Afdeling beantwoordt deze vraag ontkennend. Op grond van artikel 83c, eerste lid, van de Vw 2000 staat geen verzet open tegen uitspraken waarbij de Afdeling een vreemdelingenzaak zonder zitting heeft afgedaan. De wetgever heeft in vreemdelingenzaken voor dit specifieke geval de mogelijkheid van verzet uitdrukkelijk uitgesloten, waardoor de Afdeling niet de bevoegdheid heeft om inhoudelijk op het verzet in te gaan. De Afdeling verklaart zich dan ook onbevoegd om van het verzet kennis te nemen. Omdat de minister van Asiel en Migratie geen verweer heeft hoeven voeren, wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is enkelvoudig gedaan en heeft een puur procedureel karakter: er vindt geen inhoudelijke toetsing van de oorspronkelijke zaak plaats. Voor de vreemdeling betekent dit dat de uitspraak van 12 mei 2026 onherroepelijk is geworden. De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat artikel 83c Vw 2000 een lex specialis vormt die de algemene verzetsmogelijkheden van het bestuursprocesrecht opzijzet in vreemdelingenzaken die op de stukken zijn beslist.