RvS: Minister moet zorgbeschikbaarheid Nigeria eerst aannemelijk maken
ECLI:NL:RVS:2026:390, Raad van State, 26-01-2026, BRS.25.000701
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 16 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd om ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van betrokkene achterwege blijft.
Kern van de zaak
Een Nigeriaanse vrouw met ernstige psychische klachten ondergaat in Nederland behandeling waarbij mantelzorg van haar Ghanese partner essentieel is. De minister stelt dat zorg in Nigeria beschikbaar is, maar betrokkene betwist dit omdat haar Ghanese partner mogelijk geen toegang heeft tot Nigeria. De zaak betreft de verdeling van de bewijslast bij de beoordeling van medische noodsituaties in het vreemdelingenrecht.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep van de minister tegen de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had geoordeeld dat de minister niet van betrokkene mocht verlangen aannemelijk te maken dat zorg feitelijk niet toegankelijk is, omdat eerst de minister aannemelijk moet maken dat de noodzakelijke zorg in Nigeria beschikbaar is; de uitspraak is nog niet volledig beschikbaar.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een principiële bewijslastvraag in het medisch vreemdelingenrecht bij de RvS, maar de tekst is onvolledig waardoor de definitieve uitkomst en motivering niet zijn te beoordelen; de potentiële impact is MIDDEL tot HOOG.
Belangrijkste punten
- 1BMA-advies en nota bevestigen dat onderbreking van behandeling leidt tot een medische noodsituatie
- 2Aanwezigheid van de Ghanese partner als mantelzorger is essentieel voor het slagen van de behandeling
- 3Centrale vraag betreft de bewijslastverdeling: wie moet aantonen of zorg in Nigeria beschikbaar en toegankelijk is
- 4Rechtbank oordeelde dat minister eerst beschikbaarheid van zorg aannemelijk moet maken voordat betrokkene feitelijke ontoegankelijkheid hoeft te bewijzen
- 5Minister klaagt in hoger beroep over dit oordeel van de rechtbank inzake bewijslastverdeling
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak raakt de verdeling van de bewijslast bij medische noodsituaties in het vreemdelingenrecht, met name de vraag in hoeverre een vreemdeling de feitelijke ontoegankelijkheid van zorg in het land van herkomst aannemelijk moet maken. Dit heeft potentieel richtinggevende betekenis voor de toepassing van artikel 64 Vw en vergelijkbare medische verblijfszaken.
Praktische impact
Voor vreemdelingen met medische klachten die afhankelijk zijn van in Nederland verblijvende mantelzorgers wordt de bewijslastpositie ten opzichte van de IND verhelderd. Indien de RvS de lijn van de rechtbank bevestigt, hoeft de vreemdeling minder snel aannemelijk te maken dat zorg ontoegankelijk is.
Onderwerp-impact
In medische uitzettingszaken waarbij mantelzorg een vereiste is voor de behandeling, wordt de rol van de partner en diens toegang tot het land van herkomst een zelfstandig beoordelingscriterium voor de beschikbaarheid van zorg.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Nigeriaanse vrouw met ernstige psychische klachten die in Nederland behandeling ondergaat bestaande uit therapie, medicatie en mantelzorg door haar Ghanese partner. Uit adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) blijkt dat onderbreking van de behandeling tot een medische noodsituatie leidt en dat de aanwezigheid van de partner daarvoor essentieel is. Betrokkene stelt dat haar partner als Ghanees geen toegang heeft tot Nigeria, waardoor de noodzakelijke zorg aldaar feitelijk niet beschikbaar is. De minister stelt zich op het standpunt dat zorg in Nigeria wel beschikbaar en toegankelijk is en verlangde van betrokkene dat zij het tegendeel aannemelijk maakte. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat de minister niet van betrokkene mocht verlangen de feitelijke ontoegankelijkheid van zorg aannemelijk te maken, nu betrokkene voldoende aanknopingspunten voor twijfel had aangedragen. De rechtbank overwoog dat het eerst aan de minister is om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke zorg in Nigeria beschikbaar is, zeker nu de BMA-nota de aanwezigheid van de partner als essentieel vereiste aanmerkt. De minister is in hoger beroep gegaan bij de Raad van State en klaagt in haar enige grief over dit oordeel. De centrale juridische vraag is daarmee de verdeling van de bewijslast bij de beoordeling van medische beschikbaarheid van zorg in het kader van artikel 64 Vreemdelingenwet. De uitkomst van het hoger beroep is op basis van de beschikbare tekst nog niet volledig kenbaar, maar de zaak heeft duidelijke betekenis voor de praktijk van medische verblijfszaken waarbij mantelzorg van een partner een onmisbare schakel vormt in de behandeling.