JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:3756Laag28/100

Minister veroordeeld in proceskosten na intrekking terugkeerbesluit

ECLI:NL:RVS:2026:3756, Raad van State, 02-07-2026, BRS.26.002154

Raad van StateUitspraak: 2 juli 2026Publicatie: 29 juni 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.002154
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Proceskosten
Vreemdelingenrecht
Terugkeerbesluit
Tijdelijke Bescherming
Intrekking Besluit

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 21 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 te verlaten (terugkeerbesluit), omdat zijn recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming na die datum eindigt.

Kern van de zaak

Een vreemdeling ging in beroep tegen een terugkeerbesluit van de minister van 21 februari 2024. De minister trok dit besluit hangende het beroep in omdat het te vroeg was genomen, maar de rechtbank kende geen proceskostenvergoeding toe. Appellant stelde hoger beroep in uitsluitend over de proceskostenveroordeling.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is gegrond; de Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de minister niet was veroordeeld in de proceskosten voor het beroep. De doorslaggevende reden is dat de intrekking van het eerste terugkeerbesluit door de minister een erkenning inhoudt dat dit besluit onjuist was, hetgeen een punt voor het instellen van beroep rechtvaardigt.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak betreft een procedureel-technisch oordeel over proceskostenvergoeding in een individuele vreemdelingenzaak en bevestigt bestaande rechtspraak. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de zaak heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare processuele situaties.

Belangrijkste punten

  • 1De minister trok het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 hangende het beroep in omdat het te vroeg (vóór 4 maart 2024) was genomen.
  • 2Intrekking van een besluit hangende beroep geldt als een erkenning van gebreken en rechtvaardigt een punt voor het instellen van beroep in de proceskostenregeling.
  • 3Omdat de zitting uitsluitend nodig was voor inhoudelijke behandeling van gronden die niet slagen, heeft appellant geen recht op een punt voor de zitting.
  • 4Het hoger beroep had uitsluitend betrekking op de proceskostenveroordeling; het inhoudelijke oordeel (ongegrondverklaring beroep) werd niet aangevochten.
  • 5Het hogerberoepschrift riep geen vragen op over Unierecht, zodat geen prejudiciële verwijzing nodig was (verwijzing naar HvJ 24 maart 2026, Remling).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat intrekking van een bestreden besluit hangende het beroep een proceskostenpunt voor het instellen van beroep oplevert, ook als het beroep inhoudelijk (gedeeltelijk) ongegrond wordt verklaard. Dit verduidelijkt de toepassing van de proceskostenregeling in vreemdelingenzaken waarbij besluiten hangende de procedure worden vervangen of ingetrokken.

Praktische impact

De minister moet de proceskosten voor zowel de beroepsprocedure als het hoger beroep vergoeden aan appellant. Vreemdelingen en hun advocaten kunnen zich in vergelijkbare situaties beroepen op dit oordeel om proceskostenvergoeding te vorderen bij intrekking van een besluit, ook zonder volledig inhoudelijk succes.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken met tijdelijke bescherming (zoals Oekraïense ontheemden) waarbij terugkeerbesluiten prematuur worden genomen en vervolgens ingetrokken, hebben betrokkenen recht op proceskostenvergoeding voor het instellen van beroep, ongeacht de inhoudelijke uitkomst.

Samenvatting

In deze zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State, uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank om de minister niet te veroordelen in de proceskosten van het beroep. De achtergrond is als volgt: de minister had op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit genomen, maar trok dit hangende het beroep in omdat het te vroeg was genomen — namelijk vóór 4 maart 2024, de datum waarop de tijdelijke bescherming eindigde. De minister nam vervolgens op 28 juli 2025 een nieuw besluit op grond van artikel 6:19 Awb, maar voldeed daarmee materieel niet aan het beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De juridische vraag in hoger beroep was of de intrekking van het eerste terugkeerbesluit aanleiding gaf tot een proceskostenpunt voor het instellen van beroep. De Raad van State beantwoordt deze vraag bevestigend: de intrekking van het besluit houdt een erkenning in dat dit besluit onjuist was, en dat rechtvaardigt een proceskostenpunt voor het instellen van beroep. Dat de inhoudelijke beroepsgronden over de beëindiging van de tijdelijke bescherming uiteindelijk niet slaagden, doet hier niet aan af. Wel oordeelt de Raad van State dat geen punt voor de zitting hoeft te worden toegekend, omdat de zitting uitsluitend nodig was voor de inhoudelijke behandeling van gronden die niet werden aangevochten in hoger beroep. Het hogerberoepschrift riep geen vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht, zodat geen prejudiciële verwijzing nodig was, met verwijzing naar het arrest HvJ 24 maart 2026 (Remling). Het hoger beroep is gegrond verklaard en de minister is veroordeeld in de proceskosten van zowel de beroeps- als de hogerberoepsprocedure.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1467, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00945

Hoge Raad11 sep 2026OverheidVastgoed
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1440Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1440, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00139

Hoge Raad11 sep 2026OverheidHandhaving
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied