JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:3497Laag18/100

Beroep vereniging ouderenhuisvesting bestemmingsplan De Lier ongegrond

ECLI:NL:RVS:2026:3497, Raad van State, 17-06-2026, 202406839/1/R3

Raad van StateUitspraak: 17 juni 2026Publicatie: 17 juni 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:202406839/1/R3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Zorg
Vastgoed
Vergunningen
Ruimtelijke Ordening
Omgevingswet Overgangsrecht
Bestemmingsplan
Ouderenhuisvesting
Goede Ruimtelijke Ordening
Beleidsruimte Gemeenteraad

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 16 oktober 2024 heeft de raad van de gemeente Westland het bestemmingsplan "Havenbuurt te De Lier" vastgesteld. Het plan voorziet in de mogelijkheid om in het zuidelijke deel van Molensloot-Oost, ten oosten van De Lier, 323 woningen te ontwikkelen. BPD gaat de woningen in het plangebied realiseren. De vereniging zet zich in voor het ontwikkelen van gebouwen die geschikt zijn voor gezamenlijke bewoning door ouderen in De Lier. Zij komt op tegen de vaststelling van het plan omdat zij graag de mogelijkheid had gehad om in het plangebied geclusterde wooneenheden voor ouderen te realiseren. De vereniging heeft verschillende beroepsgronden naar voren gebracht die zien op de tussen de gemeente Westland en BPD in 2018 afgesloten samenwerkingsovereenkomst en de latere herijking hiervan. De Afdeling wijst erop dat in deze procedure alleen beroepsgronden aan de orde kunnen komen die zijn gericht tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Kern van de zaak

Een vereniging die zich inzet voor geclusterde ouderenwoningen in De Lier ging in beroep tegen de vaststelling van een bestemmingsplan voor 323 woningen in Molensloot-Oost. De vereniging wilde dat het plan ook ruimte bood voor geclusterde wooneenheden voor ouderen, maar de gemeente Westland en ontwikkelaar BPD kozen daar niet voor.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het beroep ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan beleidsruimte heeft en de betrokken belangen heeft afgewogen; de vereniging heeft niet aangetoond dat de nadelige gevolgen onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

18van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een toepassing van vaste jurisprudentie over de beleidsruimte bij bestemmingsplanvaststelling en het overgangsrecht van de Omgevingswet, zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden. De zaak heeft enkel lokale betekenis voor het plangebied in De Lier.

Belangrijkste punten

  • 1Op deze procedure is het oude recht van toepassing (Wro en Chw), omdat het ontwerpplan op 22 december 2023 – vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 – ter inzage is gelegd.
  • 2Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 323 woningen mogelijk in het zuidelijke deel van Molensloot-Oost, ten oosten van De Lier.
  • 3De vereniging wenste geclusterde wooneenheden voor ouderen in het plangebied, maar de gemeenteraad heeft die mogelijkheid niet opgenomen.
  • 4De Afdeling toetst niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt uitsluitend of het besluit in overeenstemming is met het recht.
  • 5Verschillende beroepsgronden van de vereniging zijn buiten beschouwing gelaten, vermoedelijk omdat zij zagen op de privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente Westland en BPD uit 2018.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de rechter de beleidsruimte van de gemeenteraad bij bestemmingsplanvaststelling respecteert en slechts marginaal toetst. Het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet (artikel 4.6 lid 3) wordt toegepast zoals gebruikelijk bij plannen waarvan het ontwerp vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd.

Praktische impact

BPD kan de 323 woningen in Molensloot-Oost realiseren zonder verdere planologische belemmering vanuit deze procedure. De vereniging voor ouderenhuisvesting heeft geen planologische grondslag verkregen voor geclusterde ouderenwoningen in dit plangebied.

Onderwerp-impact

Voor initiatiefnemers van geclusterde ouderenhuisvesting bevestigt deze uitspraak dat zij in een vroeg stadium in het planproces moeten lobbyen voor opname van hun woonvorm in het bestemmingsplan, omdat de rechter de gemeentelijke beleidsafweging achteraf niet snel zal doorbreken.

Samenvatting

In deze uitspraak van 17 juni 2026 verklaart de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep van een vereniging voor ouderenhuisvesting tegen het bestemmingsplan 'Molensloot-Oost' van de gemeente Westland ongegrond. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 323 woningen mogelijk in het zuidelijke deel van Molensloot-Oost, ten oosten van De Lier, te realiseren door ontwikkelaar BPD. De vereniging, die zich inzet voor gebouwen geschikt voor gezamenlijke bewoning door ouderen, verzette zich tegen de vaststelling van het plan omdat daarin geen mogelijkheid was opgenomen voor geclusterde wooneenheden voor ouderen. Als eerste stelde de Afdeling vast welk recht van toepassing is. Omdat het ontwerpplan op 22 december 2023 ter inzage is gelegd – dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 – blijft op grond van artikel 4.6 lid 3 van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet. De Afdeling benadrukt vervolgens het geldende toetsingskader: de gemeenteraad heeft beleidsruimte bij het vaststellen van bestemmingen en moet de betrokken belangen afwegen. De rechter toetst niet zelf of het plan strookt met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt uitsluitend of het besluit in overeenstemming is met het recht, en of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de beoogde doelen. Verschillende beroepsgronden van de vereniging – onder meer betrekking hebbend op de in 2018 gesloten overeenkomst tussen gemeente Westland en BPD – worden buiten beschouwing gelaten. Nu de vereniging niet heeft aangetoond dat de gemeenteraad de betrokken belangen onrechtmatig heeft afgewogen of dat de gevolgen van het plan onevenredig zijn, wordt het beroep ongegrond verklaard en worden geen proceskosten vergoed.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 14 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied