Raad van State vernietigt fietsverwijdering Breda wegens onjuiste zone
ECLI:NL:RVS:2026:3474, Raad van State, 17-06-2026, 202402647/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat hij zijn fiets ergens anders moest (laten) stallen. Op 25 augustus 2022 heeft het college de last ten uitvoer gelegd en de fiets verwijderd. Bij besluit van 30 augustus 2022 heeft het college de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld. De fiets van [appellant] stond gestald tegen de buitenmuur van een appartementencomplex aan de Middellaan in Breda. Het college heeft op 22 augustus 2022 een last onder bestuursdwang opgelegd, door een label aan de fiets te bevestigen. Uit de tekst op het label volgt dat de fiets langer dan 28 dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking geparkeerd stond binnen de daarvoor bestemde voorziening. Dat is verboden op grond van artikel 5:11 van de APV en het aanwijsbesluit. Op 25 augustus 2022 heeft het college de fiets verwijderd en opgeslagen in het depot van de gemeente Breda. [appellant] heeft op 30 augustus 2022 zijn fiets opgehaald bij het depot, na betaling van € 25,00. Daarbij is hem ook de bij de last onder bestuursdwang behorende kostenbeschikking overhandigd.
Kern van de zaak
De gemeente Breda verwijderde de fiets van appellant op 25 augustus 2022 wegens langparkeren in een APV-zone op de Middellaan. Appellant betwistte dat zijn fiets in de aangewezen zone stond, omdat aan het begin van de straat een bord 'einde parkeerzone' was geplaatst. Hij betaalde €25 om zijn fiets terug te krijgen en vocht zowel de last onder bestuursdwang als de kostenbeschikking aan.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en herroept de besluiten van het college van 22 en 30 augustus 2022. De doorslaggevende reden is dat de fiets van appellant niet stond geparkeerd binnen de op grond van artikel 5:11 APV aangewezen zone, gelet op het aanwezige 'einde parkeerzone'-bord aan het begin van de Middellaan.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak toe op een casuïstisch geschil over de begrenzing van een APV-parkeerzone en heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke lokale situatie in Breda.
Belangrijkste punten
- 1De gemeente Breda had een last onder bestuursdwang opgelegd wegens langparkeren van een fiets in een APV-zone, maar de fiets stond buiten de aangewezen zone.
- 2Een 'einde parkeerzone'-bord met verwijzing naar APV art. 5:11 aan het begin van de Middellaan bepaalde de grens van de zone.
- 3De Afdeling past de evenredigheidsmaatstaf uit de Harderwijk-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:285) toe, waarbij handhaving in beginsel vooropstaat.
- 4Omdat de fiets niet in de aangewezen zone stond, was er geen overtreding en was handhavend optreden niet gerechtvaardigd.
- 5De Afdeling herroept zelf de primaire besluiten en treedt in de plaats van het vernietigde besluit, inclusief proceskostenveroordeling van het college.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de geografische begrenzing van een APV-parkeerzone nauwkeurig moet worden bepaald aan de hand van de aanwezige bebording, en dat handhaving buiten de aangewezen zone onrechtmatig is. De Harderwijk-evenredigheidsmaatstaf blijft van toepassing op handhavingsbesluiten.
Praktische impact
Appellant krijgt de opgelegde last onder bestuursdwang en kostenbeschikking herroepen; de betaalde €25 en vermoedelijk de kosten van het doorgeknipt kettingslot dienen te worden vergoed. Gemeenten worden gewaarschuwd zorgvuldig te controleren of een gestald voertuig daadwerkelijk binnen de aangewezen zone staat voordat handhavend wordt opgetreden.
Onderwerp-impact
Voor gemeentelijk parkeerbeleid en APV-handhaving onderstreept deze uitspraak het belang van duidelijke en correcte zonering en bebording; onduidelijke of tegenstrijdige borden kunnen handhaving geheel onmogelijk maken.
Samenvatting
Deze zaak draait om de vraag of de gemeente Breda bevoegd was om de fiets van appellant te verwijderen op grond van artikel 5:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en het bijbehorende aanwijsbesluit. Op 22 augustus 2022 werd een label aan de fiets bevestigd, waarna de fiets op 25 augustus 2022 werd verwijderd en opgeslagen. Appellant betaalde €25 om zijn fiets terug te krijgen en maakte bezwaar tegen zowel de last onder bestuursdwang als de kostenbeschikking. Het college verklaarde de bezwaren ongegrond en de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dat oordeel in beroep. In hoger beroep voert appellant aan dat zijn fiets helemaal niet binnen de aangewezen APV-zone stond. Aan het begin van de Middellaan, op de kruising met de Nieuwe Prinsenkade, was namelijk een bord geplaatst met de aanduiding 'einde parkeerzone' met verwijzing naar APV art. 5:11. Dit bord markeerde de grens van de zone, waardoor de locatie waar de fiets geparkeerd stond buiten het handhavingsbereik viel. De Raad van State past de evenredigheidsmaatstaf toe uit de Harderwijk-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2022:285), waarbij als uitgangspunt geldt dat handhaving in het algemeen belang is en in de regel moet plaatsvinden. Echter, nu de fiets niet in de aangewezen zone stond, was er überhaupt geen overtreding van artikel 5:11 APV. Bij gebreke van een overtreding ontbrak de grondslag voor de last onder bestuursdwang. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit op bezwaar van 28 december 2022 en herroept de primaire besluiten van 22 en 30 augustus 2022. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak illustreert dat een onjuiste geografische afbakening van een APV-zone handhaving geheel kan ondermijnen.