JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:3334Laag28/100

RvS beoordeelt omgevingsvergunning uitbouw woning in afwijking bestemmingsplan

ECLI:NL:RVS:2026:3334, Raad van State, 10-06-2026, 202304583/1/R1

Raad van StateUitspraak: 10 juni 2026Publicatie: 10 juni 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202304583/1/R1
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Vastgoed
Vergunningen
Ruimtelijke Ordening
Omgevingsvergunning
Overgangsrecht Omgevingswet
Bestemmingsplan
Uitbouw
Wabo

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 21 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Ruimer Leven B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het herstellen van de fundering, het intern verbouwen en het maken van een uitbouw aan de achterzijde van het pand op de begane grond, het maken van een kelder onder het gebouw en de uitbouw en het maken van een koekoek aan de voor- en achterzijde op het adres [locatie] in Amsterdam. Het bouwplan voorziet onder meer in de bouw van een kelder onder de woning op het perceel. Op de kelder zal aan de achterkant op de begane grond een uitbouw met een diepte van 2,5 m worden gebouwd. Het bouwplan is op meerdere onderdelen in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stadion- en Beethovenbuurt 2012". In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vergunde uitbouw aan de achterzijde van de woning op het perceel.

Kern van de zaak

Een appellant maakt bezwaar tegen een door het college verleende omgevingsvergunning voor een uitbouw aan de achterzijde van een woning, inclusief kelder. De uitbouw is in strijd met het bestemmingsplan 'Stadion- en Beethovenbuurt 2012', maar het college heeft hiervan afgeweken op basis van beleidsregels en de Wabo. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vergunde uitbouw en de vraag of de belangenafweging correct is uitgevoerd.

Beslissing van de rechter

De uitspraak is onvolledig overgeleverd, waardoor de definitieve beslissing niet volledig kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare tekst toetst de Raad van State of het college bij de verlening van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan het recht correct heeft toegepast, waarbij de bestuursrechter de beleidsruimte van het college respecteert en slechts marginaal toetst of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande rechtspraak toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de overgangsrechtelijke kwestie en de marginale toetsing zijn reeds vaste jurisprudentie. De uitspraak is bovendien onvolledig overgeleverd, wat de beoordeling van de werkelijke impact beperkt.

Belangrijkste punten

  • 1Overgangsrecht Omgevingswet: aanvraag ingediend op 12 maart 2021, dus de Wabo (oud recht) blijft van toepassing tot onherroepelijkheid van het besluit
  • 2Afwijking bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 lid 1 onder a sub 2° Wabo jo. artikel 4 lid 1 bijlage II Bor voor uitbouw met diepte van 2,5 m
  • 3Het college hanteert 'Beleidsregels afwijking omgevingsvergunning' waarin uitbouwen in strijd met bestemmingsplan in beginsel worden geweigerd, tenzij een uitzondering van toepassing is
  • 4De bestuursrechter toetst marginaal: niet of de vergunning ruimtelijk wenselijk is, maar of het besluit in overeenstemming is met het recht en of nadelige gevolgen niet onevenredig zijn
  • 5De uitspraak is onvolledig, waardoor de uiteindelijke conclusie van de Raad van State niet volledig kan worden beoordeeld

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de bestuursrechter bij vergunningverlening in afwijking van het bestemmingsplan marginaal toetst en de beleidsruimte van het bestuursorgaan respecteert. Het overgangsrechtelijk kader van de Invoeringswet Omgevingswet wordt toegepast op aanvragen ingediend vóór 1 januari 2024.

Praktische impact

Voor aanvragers en omwonenden betekent dit dat bij vergunningverlening vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet de Wabo-procedure blijft gelden, en dat bezwaar tegen vergunde uitbouwen slechts kans van slagen heeft bij evident onrechtmatige belangenafweging.

Onderwerp-impact

In het omgevingsrecht en de ruimtelijke ordening verduidelijkt deze zaak de toepassing van het overgangsrecht bij de invoering van de Omgevingswet en de reikwijdte van de rechterlijke toetsing van beleidsregels bij afwijkingsvergunningen.

Samenvatting

Deze zaak bij de Raad van State betreft een hoger beroep tegen een door het college van burgemeester en wethouders verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een kelder en een uitbouw van 2,5 meter diep aan de achterzijde van een woning. Het bouwplan was op meerdere onderdelen in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Stadion- en Beethovenbuurt 2012'. Het college heeft gebruik gemaakt van zijn afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, en daarbij geoordeeld dat een uitzondering uit de gemeentelijke beleidsregels van toepassing was. Een eerste juridisch vraagstuk betreft het overgangsrecht bij de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Omdat de aanvraag om omgevingsvergunning reeds op 12 maart 2021 was ingediend, blijft op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht — de Wabo — van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is geworden. De kern van het hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het college bij de verlening van de vergunning voor de uitbouw een correcte en evenredige belangenafweging heeft gemaakt. De appellant stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. De Raad van State overweegt dat het college bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid beleidsruimte toekomt en dat de bestuursrechter niet zelf oordeelt over de ruimtelijke wenselijkheid, maar slechts toetst of het besluit in overeenstemming is met het recht en of de nadelige gevolgen niet onevenredig zijn. De uitspraak is onvolledig overgeleverd, waardoor de uiteindelijke beslissing van de Raad van State niet volledig kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen past de Raad de vaste lijn van marginale rechterlijke toetsing bij omgevingsvergunningen toe.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 15 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied