JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:2749Middel48/100

RvS: FEBO Almere vergunningen terecht ingetrokken via Wet Bibob

ECLI:NL:RVS:2026:2749, Raad van State, 13-05-2026, 202500540/1/A3

Raad van StateUitspraak: 13 mei 2026Publicatie: 13 mei 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202500540/1/A3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Handhaving
Vergunningen
Retail
Bestuursdwang
Wet Bibob
Horeca
Vergunningintrekking
Medewerking

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 8 september 2022 heeft het college van Almere een aan FEBO Almere verleende terrasvergunning en vergunning alcoholvrij bedrijf ingetrokken. De bestuurder van FEBO Almere, [gemachtigde], heeft voor een andere onderneming aanvragen ingediend voor een terrasvergunning en een vergunning voor een alcoholvrij bedrijf. Bij die procedure heeft de burgemeester de Wet Bibob toegepast en geweigerd de vergunningen te verlenen. De burgemeester heeft aanleiding gezien om in deze procedure de Wet Bibob toe te passen en heeft FEBO Almere daarom gevraagd een Bibob-vragenformulier in te vullen. Aan dat verzoek heeft FEBO Almere geen gehoor gegeven. De burgemeester heeft vervolgens de vergunningen van FEBO Almere ingetrokken. Omdat zij het Bibob-vragenformulier niet heeft ingevuld, bestaat volgens de burgemeester een ernstig gevaar dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Daarnaast is de burgemeester van mening dat feiten en omstandigheden erop wijzen dat FEBO Almere in relatie staat tot strafbare feiten.

Kern van de zaak

De burgemeester van Almere trok de vergunningen van FEBO Almere in op grond van de Wet Bibob, nadat de onderneming weigerde een Bibob-vragenformulier in te vullen. FEBO Almere ging in beroep bij de rechtbank, die de intrekking onrechtmatig achtte. De burgemeester stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep van de burgemeester gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland en verklaart het beroep van FEBO Almere ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de burgemeester op basis van de Wet Bibob bevoegd was de vergunningen in te trekken, nu FEBO Almere weigerde het Bibob-vragenformulier in te vullen én er feiten en omstandigheden waren die wezen op een ernstig gevaar voor misbruik van de vergunningen.

48van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaande Bibob-rechtspraak over de gevolgen van het niet meewerken aan een Bibob-onderzoek en heeft praktische betekenis voor de handhavingspraktijk, maar stelt geen fundamenteel nieuw rechtsregel vast.

Belangrijkste punten

  • 1FEBO Almere weigerde het door de burgemeester verzochte Bibob-vragenformulier in te vullen, wat op zichzelf al een grond kan zijn voor het aannemen van ernstig gevaar in de zin van de Wet Bibob.
  • 2De burgemeester had aanleiding de Wet Bibob toe te passen vanwege een parallel lopende procedure over de bestuurder van FEBO Almere, waarin eveneens vergunningen werden geweigerd.
  • 3De rechtbank had de intrekking onrechtmatig geacht wegens ontbreken van gevaar en disproportionaliteit, maar de Raad van State oordeelt anders.
  • 4De Raad van State vernietigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep van FEBO Almere alsnog ongegrond.
  • 5De zaak hangt nauw samen met een parallelle Bibob-procedure (ECLI:NL:RVS:2026:2643) over dezelfde bestuurder, waarin de Afdeling op dezelfde dag uitspraak deed.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat een weigering om een Bibob-vragenformulier in te vullen een zelfstandige grond kan opleveren voor het aannemen van ernstig gevaar in de zin van artikel 3 Wet Bibob, en dat intrekking van vergunningen in dat geval proportioneel kan zijn. Dit versterkt de toepassing van de Wet Bibob als instrument voor bestuursorganen om ondermijning te bestrijden.

Praktische impact

Voor ondernemers betekent dit dat het weigeren mee te werken aan een Bibob-onderzoek ernstige gevolgen kan hebben, waaronder verlies van bestaande vergunningen. FEBO Almere verliest haar terrasvergunning en vergunning voor een alcoholvrij bedrijf.

Onderwerp-impact

Voor de horeca- en retailsector onderstreept deze uitspraak dat bestuursorganen actief kunnen optreden tegen ondernemingen die weigeren transparantie te bieden in Bibob-procedures, ook als er nog geen onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is.

Samenvatting

In deze zaak draait het om de intrekking van vergunningen van FEBO Almere door de burgemeester van Almere op grond van de Wet Bibob. De aanleiding was een parallelle procedure tegen de bestuurder van FEBO Almere, in het kader waarvan de burgemeester ook voor FEBO Almere een Bibob-onderzoek startte en de onderneming verzocht een vragenformulier in te vullen. FEBO Almere weigerde daaraan mee te werken. De burgemeester zag daarin, in combinatie met feiten en omstandigheden die wezen op een relatie met strafbare feiten, een ernstig gevaar dat de vergunningen mede zouden worden gebruikt voor criminele activiteiten, en trok de vergunningen in. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde in december 2024 dat de intrekking onrechtmatig was. Zij verwees naar haar eerdere oordeel in de parallelle procedure, waarin hetzelfde feitencomplex onvoldoende grond bleek voor een ernstig gevaar. Bovendien achtte de rechtbank de intrekking disproportioneel, nu het enkel niet invullen van een formulier naar haar oordeel niet kon rechtvaardigen dat bestaande vergunningen worden ingetrokken. De Raad van State denkt daar anders over. In hoger beroep, ingesteld door de burgemeester, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van FEBO Almere wordt alsnog ongegrond verklaard. Hoewel de volledige motivering van de Afdeling niet volledig beschikbaar is in het gepubliceerde fragment, blijkt uit de beslissing dat de Raad van State de toepassing van de Wet Bibob door de burgemeester rechtmatig acht. De uitspraak bevestigt daarmee dat het weigeren mee te werken aan een Bibob-procedure reële gevolgen kan hebben voor bestaande vergunningen, en dat bestuursorganen in dergelijke gevallen bevoegd zijn tot intrekking.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 17 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
48van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:RBGEL:2026:5525Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RBGEL:2026:5525, Rechtbank Gelderland, 13-07-2026, AWB-25_4431 e.a.

Rechtbank Gelderland13 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied