Vreemdelingenbewaring vernietigd wegens verstreken overdrachtstermijn Dublin
ECLI:NL:RVS:2026:2639, Raad van State, 11-05-2026, BRS.26.000908
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 2 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
De minister van Asiel en Migratie stelde een vreemdeling in bewaring op grond van artikel 59a Vw 2000 (Dublinclaim met Zwitserland). De vreemdeling betwistte de bewaring omdat de overdrachtstermijn al was verstreken en Nederland daarmee verantwoordelijk was geworden voor de asielaanvraag.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De bewaring was onrechtmatig omdat de minister onvoldoende had onderzocht of de overdrachtstermijn van het claimakkoord met Zwitserland nog liep voordat de maatregel werd opgelegd, en kent de vreemdeling een schadevergoeding toe van €2.040.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie (RvS 2021:944) zonder nieuwe rechtsnormen te stellen, maar heeft praktische betekenis voor de uitvoeringspraktijk van Dublinbewaring bij gevallen met verstreken overdrachtstermijnen.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 59a Vw 2000 vereist dat de minister vóór oplegging bewaring onderzoekt of een concreet aanknopingspunt bestaat én of de overdrachtstermijn niet is verstreken
- 2Zwitserland had in 2021 een Dublinclaim geaccepteerd, maar overdracht bleef uit omdat de vreemdeling met onbekende bestemming vertrok
- 3De minister wees op 16 december 2025 een Dublinclaim van Duitsland af, maar de rechtsgeldigheid van de Zwitserse claim was op dat moment twijfelachtig
- 4De Afdeling herhaalt de norm uit ECLI:NL:RVS:2021:944: bewaring als bezwarend besluit vereist voorafgaand feitenonderzoek naar termijnen
- 5De vreemdeling ontvangt €2.040 schadevergoeding voor de periode van onrechtmatige bewaring (2 t/m 18 februari 2026)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en verduidelijkt dat bij Dublinbewaring ex artikel 59a Vw 2000 niet alleen het bestaan van een claimakkoord relevant is, maar ook uitdrukkelijk onderzocht moet worden of de overdrachtstermijn nog niet is verstreken. Dit stelt concrete eisen aan het voorafgaand onderzoek door de minister.
Praktische impact
Vreemdelingen in Dublinbewaring kunnen met succes opkomen tegen hun bewaring als de overdrachtstermijn is verlopen; de minister moet dit actief onderzoeken en vastleggen vóór oplegging van de maatregel.
Onderwerp-impact
In Dublin-zaken waarbij een vreemdeling eerder met onbekende bestemming is vertrokken, moeten autoriteiten extra alert zijn op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is en of termijnen nog lopen voordat bewaring wordt opgelegd.
Samenvatting
In deze zaak stond de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring centraal die de minister van Asiel en Migratie had opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De minister baseerde de bewaring op een in 2021 door Zwitserland geaccepteerde Dublinclaim. De vreemdeling was echter na dat akkoord met onbekende bestemming vertrokken, waardoor Nederland haar niet tijdig had kunnen overdragen. Zij stelde in hoger beroep dat de overdrachtstermijn al was verstreken op het moment van de bewaring op 2 februari 2026, waardoor Nederland inmiddels zelf verantwoordelijk was geworden voor de behandeling van haar asielaanvraag en de grondslag voor artikel 59a-bewaring was komen te vervallen. De Raad van State overweegt dat bewaring op grond van artikel 59a Vw 2000 een bezwarend besluit is, en dat de minister daarom voorafgaand aan de oplegging verplicht is een zorgvuldig feitenonderzoek te verrichten. Dat onderzoek moet niet alleen betrekking hebben op het bestaan van een concreet aanknopingspunt voor toepasselijkheid van de Dublinverordening, maar ook op de vraag of de voor overdracht vastgestelde termijn nog niet is verstreken. De Afdeling verwijst hierbij naar haar eerdere uitspraak van 3 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:944). In casu oordeelt de Afdeling dat de minister dit onderzoek onvoldoende heeft verricht. Nu de overdrachtstermijn van het Zwitserse claimakkoord mogelijk al was verlopen en de minister desondanks de bewaring had opgelegd zonder dit te betrekken in zijn beoordeling, is de maatregel onrechtmatig. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) wordt vernietigd, en de vreemdeling ontvangt een schadevergoeding van €2.040 voor de periode van onrechtmatige bewaring van 2 tot en met 18 februari 2026. De Staat der Nederlanden wordt veroordeeld in de proceskosten.