Korte bewaring op onjuiste grondslag geen ernstige schending
ECLI:NL:RVS:2026:262, Raad van State, 20-01-2026, BRS.24.000283
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 13 juli 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 22 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling werd op 9 juli 2024 in bewaring gesteld op een onjuiste wettelijke grondslag. Na vier dagen werd de maatregel opgeheven en vervangen door een nieuwe maatregel op de juiste grondslag. De vreemdeling stelde dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkte in de tweede.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en het beroep van de vreemdeling ongegrond; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Doorslaggevend is dat de relatief korte periode waarin de vreemdeling op een onjuiste grondslag was vastgehouden geen ernstige schending van zijn vrijheidsrecht oplevert, en daarmee de onrechtmatigheid van de eerste maatregel niet doorwerkt in de tweede maatregel.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is een bevestiging van recent door de Afdeling zelf gestelde regels (december 2025) over doorwerking van onrechtmatigheid, waardoor de precedentwaarde beperkt maar niet verwaarloosbaar is voor de vreemdelingenbewaringspraktijk.
Belangrijkste punten
- 1Eerste inbewaringstelling berustte op onjuiste wettelijke grondslag (art. 59 lid 1 sub b Vw 2000) en werd na vier dagen vervangen door een maatregel op de juiste grondslag (art. 59 lid 1 sub a Vw 2000).
- 2De rechtbank oordeelde ten onrechte dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkte in de tweede maatregel.
- 3Doorwerking van een gebrek in een eerdere maatregel vereist een ernstige schending van het recht op vrijheid; een korte periode op onjuiste grondslag volstaat daarvoor niet.
- 4De Afdeling bevestigt haar lijn uit de uitspraken van 11 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5943 en ECLI:NL:RVS:2025:5945) over de drempel voor doorwerking van onrechtmatigheid.
- 5Nu de tweede maatregel zelfstandig rechtmatig is en geen beroepsgronden onbesproken zijn gebleven, wordt ook ambtshalve geen reden gezien voor onrechtmatigheid.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en concretiseert de drempel voor doorwerking van onrechtmatigheid van een eerdere inbewaringstellingsmaatregel in een opvolgende maatregel: enkel een ernstige schending van het vrijheidsrecht leidt tot doorwerking, en een korte periode op onjuiste grondslag kwalificeert daar niet als zodanig.
Praktische impact
Voor vreemdelingen betekent dit dat een snel gecorrigeerde fout in de grondslag van bewaring niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de vervangende maatregel of recht op schadevergoeding; voor de minister bevestigt het dat snelle herstelmaatregelen juridisch effectief zijn.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenbewaring biedt deze uitspraak overheidsinstanties meer handelingsruimte om gebreken in inbewaringstellingsbesluiten te herstellen zonder dat dit de rechtmatigheid van opvolgende maatregelen aantast.
Samenvatting
Op 9 juli 2024 stelde de minister een vreemdeling in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Nadat bleek dat deze wettelijke grondslag onjuist was, hief de minister de maatregel op 13 juli 2024 op en stelde de vreemdeling dezelfde dag opnieuw in bewaring, ditmaal op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht) oordeelde dat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkte in de tweede, en verklaarde het beroep gegrond. De minister ging in hoger beroep. De centrale juridische vraag was of een gebrek in een eerdere inbewaringstelling — het gebruik van een onjuiste wettelijke grondslag — zodanig ernstig is dat het de rechtmatigheid van de opvolgende maatregel aantast. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij verwijst naar haar uitspraken van 11 december 2025, waarin zij heeft bepaald dat doorwerking van onrechtmatigheid naar een opvolgende maatregel alleen aan de orde is bij een ernstige schending van het recht van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld. De relatief korte periode — vier dagen — gedurende welke betrokkene op een onjuiste grondslag was vastgehouden, kwalificeert niet als een dergelijke ernstige schending. De grief van de minister slaagt. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep alsnog ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak verduidelijkt de drempel voor doorwerking van gebreken in opeenvolgende inbewaringstellingsmaatregelen en bevestigt dat snelle correctie van een fout de rechtmatigheid van de vervangende maatregel in beginsel onverlet laat.