Bewaring asielzoeker onrechtmatig: Nederland bleef verantwoordelijk
ECLI:NL:RVS:2026:2544, Raad van State, 11-05-2026, BRS.25.002106
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een asielzoeker die in Nederland een asielaanvraag had ingediend en later ook in Zwitserland en Duitsland, werd door de minister op grond van de Dublinverordening in bewaring gesteld. De minister meende dat Zwitserland verantwoordelijk was geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. Appellant bestreed dat er een concreet aanknopingspunt bestond voor overdracht aan Zwitserland.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De inbewaringstelling op grond van artikel 59a Vw 2000 was onrechtmatig, omdat Nederland de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag had behouden nu de minister zelf de aanvraag op 11 juni 2025 had afgewezen en de verantwoordelijkheid dus nooit naar Zwitserland was verschoven.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt en verduidelijkt bestaand Dublin-recht in een concrete casuspositie, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel; de impact is vooral praktisch voor gevallen met een vergelijkbare feitelijke constellatie.
Belangrijkste punten
- 1De minister had de asielaanvraag van appellant op 11 juni 2025 zelf afgewezen, waardoor de verantwoordelijkheid op grond van artikel 18 lid 1 sub d Dublinverordening bij Nederland bleef rusten.
- 2Een Eurodac-treffer (asielaanvraag Zwitserland op 13 maart 2024) is onvoldoende als concreet aanknopingspunt voor Dublinoverdracht wanneer de verantwoordelijkheid nooit is verschoven.
- 3Het claimverzoek dat de minister op 30 oktober 2025 aan Zwitserland deed, was ten onrechte ingediend en rechtvaardigt de bewaring niet.
- 4De bewaring op grond van artikel 59a Vw 2000 vereist een concreet aanknopingspunt dat de vreemdeling onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt; dat ontbrak hier.
- 5Appellant krijgt een schadevergoeding van € 2.800,00 voor de periode van onrechtmatige bewaring (31 oktober tot en met 27 november 2025).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat een afwijzingsbesluit van de eigen lidstaat de Dublin-verantwoordelijkheid bij die lidstaat houdt en een Eurodac-treffer alleen onvoldoende is als grondslag voor artikel 59a Vw 2000-bewaring. Dit heeft betekenis voor de toepassing van artikel 18 lid 1 sub d Dublinverordening in gevallen waar de behandelende lidstaat zelf al een inhoudelijk besluit heeft genomen.
Praktische impact
Asielzoekers van wie de aanvraag door Nederland inhoudelijk is afgewezen, kunnen niet op grond van een eerder verblijf in een andere Dublin-staat in bewaring worden gesteld voor overdracht; de minister zal zijn bewaring sterker feitelijk moeten onderbouwen. Appellant ontvangt € 2.800,00 schadevergoeding en vergoeding van proceskosten.
Onderwerp-impact
In het asiel- en migratiedossier onderstreept deze uitspraak dat nationale besluitvorming over een asielaanvraag de Dublin-keten doorbreekt en dat bewaring uitsluitend gerechtvaardigd is als daadwerkelijk een verschuiving van verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden.
Samenvatting
Appellant, een asielzoeker, had op 2 januari 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Nadat hij ook asielaanvragen had ingediend in Zwitserland (13 maart 2024) en later in Duitsland (6 oktober 2025), werd hij op 25 oktober 2025 aangehouden. De minister stelde hem aanvankelijk in bewaring op grond van artikel 59 Vw 2000 en vervolgens, na een claimverzoek aan Zwitserland, op 31 oktober 2025 op grond van artikel 59a Vw 2000. Aan die laatste inbewaringstelling lag de veronderstelling ten grondslag dat Zwitserland verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag van appellant op grond van de Dublinverordening, mede gelet op een Eurodac-treffer. De rechtbank oordeelde dat een concreet aanknopingspunt voor Dublinoverdracht aanwezig was. De Raad van State draait dit oordeel terug. Doorslaggevend is dat de minister zelf de asielaanvraag van appellant op 11 juni 2025 inhoudelijk had afgewezen. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening brengt dit mee dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag bij Nederland is gebleven en nooit naar Zwitserland is verschoven. De enkele Eurodac-registratie van de Zwitserse aanvraag volstaat niet als concreet aanknopingspunt voor bewaring in de zin van artikel 59a Vw 2000 wanneer de verantwoordelijkheid feitelijk en rechtens bij de eigen lidstaat is gebleven. Nu een deugdelijke grondslag voor de bewaring ontbrak, was deze onrechtmatig. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) en verklaart het beroep gegrond. Appellant ontvangt een schadevergoeding van € 2.800,00 voor de periode van onrechtmatige bewaring van 31 oktober tot en met 27 november 2025, te betalen door de griffier van de Raad van State ten laste van de Staat. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten.