JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:234Laag28/100

Omgevingsvergunning recreatiewoningen geweigerd wegens strijd ruimtelijke ordening

ECLI:NL:RVS:2026:234, Raad van State, 14-01-2026, 202206226/1/R4

Raad van StateUitspraak: 14 januari 2026Publicatie: 14 januari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202206226/1/R4
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Vastgoed
Vergunningen
Ruimtelijke Ordening
Omgevingsvergunning
Overgangsrecht Omgevingswet
Bestemmingsplan
Goede Ruimtelijke Ordening
Recreatiewoningen

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij twee besluiten van 24 juni 2021 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het tijdelijk in stand houden van vier extra recreatiewoningen op het recreatieterrein aan de [locatie] in Soesterberg en voor het tijdelijk in stand houden van vier recreatiewoningen op het recreatieterrein die in strijd met de bestemming "Bos-Bostuin" zijn opgericht. Het recreatieterrein bestaat uit een open grasveld omringd met bomen. Volgens het bestemmingsplan "Landelijk gebied" heeft het grasveld de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - Jachthuis" en mogen daar maximaal 31 zomer- en recreatiewoningen staan. De omliggende gronden met bomen hebben de bestemming "Bos - Bostuin". Op die gronden mag volgens het bestemmingsplan niet worden gebouwd. [appellant] heeft gelijktijdig twee omgevingsvergunningen aangevraagd om gedurende één jaar af te wijken van het bestemmingsplan. De ene aanvraag gaat over het uitbreiden van het aantal recreatiewoningen met vier. De andere aanvraag gaat over het toestaan van vier recreatiewoningen op gronden met de bestemming "Bos - Bostuin".

Kern van de zaak

Eigenaar van een recreatieterrein vroeg twee omgevingsvergunningen aan om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan: uitbreiding met vier recreatiewoningen en legalisering van vier woningen op bostuingronden. Het college weigerde beide vergunningen wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Appellant stelt schade te hebben geleden doordat hij het terrein onder de marktwaarde moest verkopen.

Beslissing van de rechter

De uitspraak is onvolledig weergegeven, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State niet volledig kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare tekst blijkt dat het college de vergunningen weigerde en deze weigering in bezwaar handhaafde; de inhoudelijke beoordeling door de Raad van State is niet volledig zichtbaar.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een casuïstische toepassing van bekende regels (overgangsrecht Omgevingswet, goede ruimtelijke ordening), zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraaktekst is bovendien onvolledig, waardoor de werkelijke reikwijdte beperkt is te beoordelen.

Belangrijkste punten

  • 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvragen dateren van 30 maart 2021, blijft de Wabo (oud recht) van toepassing tot onherroepelijkheid van het besluit
  • 2Bestemmingsplan 'Landelijk gebied' staat maximaal 31 recreatiewoningen toe op gronden met bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie - Jachthuis'
  • 3Op gronden met bestemming 'Bos - Bostuin' is bouwen niet toegestaan; vier woningen stonden al (gedeeltelijk) op die gronden
  • 4College weigerde beide omgevingsvergunningen wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening
  • 5Processueel punt: nader stuk van appellant mogelijk buiten beschouwing wegens strijd met goede procesorde

Impactanalyse

Juridische impact

De zaak verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet: aanvragen ingediend vóór 1 januari 2024 worden volledig beoordeeld onder de Wabo. De goede procesorde-kwestie rond laat ingediende stukken is eveneens relevant voor bestuursprocesrechtelijke praktijk.

Praktische impact

Voor de appellant betekent de weigering dat vier recreatiewoningen op bostuingronden niet worden gelegaliseerd en de uitbreiding niet doorgaat; de gestelde schade door gedwongen verkoop onder marktwaarde blijft daarmee relevant als vervolgvraag.

Onderwerp-impact

Eigenaren van recreatieterreinen worden geconfronteerd met strikte handhaving van bestemmingsplannen; afwijking via tijdelijke omgevingsvergunning is niet vanzelfsprekend bij strijdigheid met ruimtelijke ordeningsdoelen zoals bosbestemming.

Samenvatting

In deze zaak bij de Raad van State staat de weigering van twee omgevingsvergunningen voor een recreatieterrein centraal. De eigenaar van het terrein had in maart 2021 gelijktijdig twee vergunningen aangevraagd: één voor de uitbreiding van het aantal recreatiewoningen met vier stuks en één voor het toestaan van vier recreatiewoningen op gronden met de bestemming 'Bos - Bostuin', waarop bouwen krachtens het bestemmingsplan 'Landelijk gebied' niet is toegestaan. Het college weigerde beide vergunningen omdat zij in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In bezwaar handhaafde het college dit standpunt. De appellant, die inmiddels niet meer eigenaar is van het terrein, stelt als gevolg van de weigeringen financiële schade te hebben geleden doordat hij het recreatieterrein onder de marktwaarde heeft moeten verkopen. Een eerste relevante kwestie betreft het overgangsrecht rond de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Omdat de aanvragen dateren van 30 maart 2021, is op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht — de Wabo — van toepassing totdat het besluit onherroepelijk wordt. Dit overgangsrecht is voor veel lopende procedures van belang. Processueel speelt de vraag of een door appellant laat ingediend omvangrijk stuk buiten beschouwing moet worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het college heeft zich op de zitting op dit standpunt gesteld. De uitspraaktekst is onvolledig aangeleverd, waardoor de uiteindelijke beslissing van de Raad van State over de inhoudelijke beroepsgronden en de schadeclaim niet volledig kan worden beoordeeld. Op basis van de beschikbare informatie betreft het een toepassing van bestaande bestuursrechtelijke en omgevingsrechtelijke kaders, zonder dat fundamenteel nieuwe rechtsvragen worden beantwoord.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 15 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied