Fietsenwinkel in woninginrichtingscentrum toch vergund door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:2292, Raad van State, 22-04-2026, 202307809/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van burgemeester en wethouders aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het gedurende een periode van tien jaar in strijd met bestemmingsplan gebruiken van de gronden of bouwwerken op het perceel [locatie] in Zoetermeer voor de exploitatie van een fietsenwinkel. [appellant sub 2] is eigenaar van het winkelpand op het perceel [locatie] in Zoetermeer (het winkelpand). Het winkelpand ligt in het Woonhart, een winkelcentrum met voornamelijk detailhandel in de woninginrichtingsbranche, keukens en sanitair. [appellant sub 2] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om in strijd met het bestemmingsplan "Stadscentrum/Dorpsstraat" voor een periode van tien jaar de exploitatie van een fietsenwinkel van Fietsvoordeelshop mogelijk te maken op het perceel. Het bestemmingsplan kent aan de gronden van het perceel [locatie] de bestemming "Gemengd - 4" toe. Op gronden met die bestemming is wel detailhandel toegestaan, maar alleen in de wooninrichtingsbranche, keukens en sanitair. Een fietsenwinkel is hier niet toegestaan.
Kern van de zaak
Eigenaar van een winkelpand in winkelcentrum Woonhart Zoetermeer vroeg een omgevingsvergunning aan voor een fietsenwinkel (Fietsvoordeelshop), in afwijking van het bestemmingsplan dat alleen detailhandel in woninginrichting, keukens en sanitair toestaat. Het college verleende de vergunning, maar de provincie stelde dat de Omgevingsverordening Zuid-Holland dit verbood. De rechtbank gaf de provincie gelijk.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart de hoger beroepen gegrond en het beroep tegen de vergunningverlening ongegrond, waarmee de omgevingsvergunning voor de fietsenwinkel in stand blijft. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de vergunning in strijd was met artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een specifieke lokale casus over detailhandelsbranchering in Zuid-Holland, maar raakt aan de bredere rechtsvraag over de reikwijdte van provinciale omgevingsverordeningen ten opzichte van gemeentelijke afwijkingsvergunningen, wat enige precedentwerking heeft voor vergelijkbare zaken.
Belangrijkste punten
- 1De aanvraag dateert van 19 augustus 2020, waardoor de oude Wabo van toepassing blijft op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet.
- 2Het bestemmingsplan 'Stadscentrum/Dorpsstraat' staat op het perceel alleen detailhandel in woninginrichting, keukens en sanitair toe; een fietsenwinkel is planologisch niet toegestaan.
- 3Het college van B&W verleende een afwijkingsvergunning voor tien jaar ten behoeve van Fietsvoordeelshop.
- 4Het college van gedeputeerde staten en de rechtbank oordeelden dat de Omgevingsverordening Zuid-Holland aan verlening in de weg stond, maar de Raad van State verwerpt dit oordeel.
- 5De Raad van State veroordeelt de gemeente Zoetermeer tot vergoeding van proceskosten van € 1.868,00 aan appellanten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen gemeentelijke afwijkingsvergunningen en provinciale omgevingsverordeningen bij detailhandelsregulering onder de Wabo. Zij bevestigt dat een provinciale verordening niet zonder meer in de weg staat aan een gemeentelijke afwijkingsvergunning voor een fietsenwinkel in een gespecialiseerd winkelcentrum.
Praktische impact
De eigenaar van het winkelpand en Woonhart Zoetermeer B.V. kunnen de fietsenwinkel voor de vergunde periode van tien jaar exploiteren, en ontvangen een proceskostenvergoeding van € 1.868,00 van de gemeente.
Onderwerp-impact
Voor de detailhandelssector en specifiek branchegebonden winkelcentra biedt deze uitspraak ruimte om via een afwijkingsvergunning branchevreemde winkels toe te laten, ook wanneer een provinciale omgevingsverordening brancheringsregels kent.
Samenvatting
Deze zaak betreft een omgevingsvergunning voor een fietsenwinkel (Fietsvoordeelshop) in winkelcentrum Woonhart in Zoetermeer, een centrum dat planologisch is bestemd voor detailhandel in woninginrichting, keukens en sanitair. De eigenaar van het winkelpand vroeg op 19 augustus 2020 een vergunning aan om tijdelijk, voor een periode van tien jaar, in afwijking van het bestemmingsplan 'Stadscentrum/Dorpsstraat' een fietsenwinkel mogelijk te maken. Het college van burgemeester en wethouders verleende deze afwijkingsvergunning, maar het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland stelde dat artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland aan verlening in de weg stond. De rechtbank Den Haag volgde dit standpunt en vernietigde de vergunning. De eigenaar en Woonhart Zoetermeer B.V. stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De juridische kernvraag was of de provinciale Omgevingsverordening inderdaad aan het verlenen van de afwijkingsvergunning in de weg stond. Omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 was ingediend, paste de Afdeling op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht toe, met name de Wabo zoals die gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de vergunning in strijd met de Omgevingsverordening was verleend. De hoger beroepen worden gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep tegen het besluit van het college van B&W wordt alsnog ongegrond verklaard. Daarmee blijft de omgevingsvergunning voor de fietsenwinkel in stand. De gemeente Zoetermeer wordt veroordeeld tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan appellanten.