Grensdetentie mag voortduren tijdens voorlopige voorziening asiel
ECLI:NL:RVS:2026:2231, Raad van State, 23-04-2026, BRS.26.001586
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Kern van de zaak
Een asielzoeker werd op 25 februari 2026 aan de grens in grensdetentie geplaatst nadat hij asiel had aangevraagd. Op 14 maart 2026 werd zijn aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Hij diende een verzoek om voorlopige voorziening in en stelde dat de grensdetentie daarmee onrechtmatig was geworden.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond: de grensdetentie mag rechtmatig voortduren gedurende de periode waarin de asielzoeker wacht op de beslissing op zijn verzoek om voorlopige voorziening. Het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening verschaft geen toegang tot het Schengengebied en wekt evenmin gerechtvaardigd vertrouwen op toegangsverlening.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak (met name ECLI:NL:RVS:2025:2925) en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel, maar heeft wel praktische betekenis voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk van grensdetentie in asielzaken.
Belangrijkste punten
- 1Grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, Vw 2000 kan voortduren tijdens de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep in een asielzaak.
- 2Het mogen afwachten van de voorlopige voorzieningsprocedure in Nederland betekent niet dat de vreemdeling voldoet aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6 van de Schengengrenscode.
- 3Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet: de mededeling in het asielbesluit dat de vreemdeling de behandeling van het vvv-verzoek mag afwachten, wekt geen gerechtvaardigde verwachting van toegang tot het Schengengebied.
- 4De Afdeling bevestigt de lijn uit haar uitspraak van 1 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2925) over de grenzen van grensdetentie in relatie tot Unierecht.
- 5De uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening vormt het moment waarop grensdetentie eventueel moet worden heroverwogen, niet het indienen ervan.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en verduidelijkt het toepassingsbereik van artikel 6, derde lid, Vw 2000 in samenhang met de Schengengrenscode: grensdetentie eindigt niet automatisch bij het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening. De Afdeling consolideert hiermee de lijn uit ECLI:NL:RVS:2025:2925.
Praktische impact
Asielzoekers in grensdetentie die een verzoek om voorlopige voorziening indienen, worden niet automatisch vrijgelaten of toegelaten; zij blijven in grensdetentie totdat de voorzieningenrechter heeft beslist. Beroepen op het vertrouwensbeginsel op basis van de rechtsmiddelenclausule in het asielbesluit hebben geen kans van slagen.
Onderwerp-impact
Voor de asielpraktijk betekent dit dat grensdetentie een effectief instrument blijft gedurende de gehele rechterlijke toetsingsfase van een niet-ontvankelijk asielbesluit, zolang geen toegang tot het Schengengebied is verleend.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) mag voortduren nadat een asielzoeker een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend hangende zijn beroep tegen een niet-ontvankelijk verklaarde asielaanvraag. Appellant was op 25 februari 2026 aan de grens in grensdetentie geplaatst. Zijn asielaanvraag werd op 14 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard, waarna hij zowel beroep instelde als een verzoek om voorlopige voorziening indiende. In de rechtsmiddelenclausule van het besluit stond vermeld dat hij de behandeling van dat verzoek in Nederland mocht afwachten. Appellant betoogde dat dit meebracht dat zijn grensdetentie niet langer rechtmatig was, althans dat hij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht aannemen dat hem toegang tot Nederland was verleend. De Raad van State verwerpt dit betoog. De Afdeling oordeelt dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening niet betekent dat de vreemdeling voldoet aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6 van de Schengengrenscode. Voortbouwend op haar uitspraak van 1 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2925) bevestigt de Afdeling dat grensdetentie mag voortduren gedurende de periode van afwachting van de rechterlijke beslissing op het vvv-verzoek. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet: de mededeling in het asielbesluit dat de vreemdeling de vvv-procedure in Nederland mag afwachten, kan in de context van een niet-ontvankelijkverklaring, een terugkeerbesluit en een inreisverbod redelijkerwijs niet worden opgevat als toegangsverlening tot het Schengengebied. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. De uitspraak heeft betekenis voor de uitvoeringspraktijk van grensdetentie: het indienen van rechtsmiddelen schort de detentie niet op en biedt geen grondslag voor een geslaagd beroep op gewekt vertrouwen.