RvS: geen systeemfout Bulgaarse asielprocedure Turkse asielzoekers
ECLI:NL:RVS:2026:2133, Raad van State, 20-04-2026, BRS.24.000429
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 12 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een Turkse asielzoeker vocht de beslissing aan van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat het lage inwilligingspercentage voor Turkse asielzoekers in Bulgarije een systeemfout aanduidt. De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag; het beroep van betrokkene wordt alsnog ongegrond verklaard. Doorslaggevend is dat het lage inwilligingspercentage van Turkse asielzoekers in Bulgarije, ook in samenhang met het AIDA-rapport, onvoldoende grond biedt om een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure aan te nemen en het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft duidelijke precedentwerking voor Dublin-overdrachten naar Bulgarije voor Turkse asielzoekers en verduidelijkt de bewijslast voor systeemfouten, maar betreft een toepassingsvraag van bestaand Dublinrecht en verandert geen fundamentele rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije blijft onverkort van toepassing voor Turkse asielzoekers.
- 2Een laag inwilligingspercentage alleen, ook in samenhang met AIDA-rapportbevindingen, is onvoldoende om een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure vast te stellen.
- 3De overdrachtstermijn is verstreken, waardoor de minister de asielaanvraag zelf nationaal moet behandelen; het oordeel heeft dus geen praktisch gevolg voor betrokkene.
- 4De minister behoudt belang bij hoger beroep vanwege precedentwerking, ook na het verstrijken van de overdrachtstermijn.
- 5De Raad van State verwijst naar eerdere uitspraken (ECLI:NL:RVS:2024:2647) waaruit blijkt dat Bulgaarse Dublinopvang niet zo gebrekkig is dat overdracht moet worden geweigerd.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de hoge drempel voor het doorbreken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in Dublinkwesties: statistisch lage inwilligingspercentages volstaan niet als bewijs van een systeemfout. Dit heeft directe betekenis voor vergelijkbare Dublin-overdrachten naar Bulgarije voor Turkse asielzoekers.
Praktische impact
Turkse asielzoekers die eerder in Bulgarije een aanvraag hebben ingediend, kunnen op basis van deze uitspraak moeilijker overdracht aan Bulgarije voorkomen via het systeemfout-argument. In dit specifieke geval heeft de uitspraak geen praktisch gevolg voor betrokkene, omdat de overdrachtstermijn al is verstreken.
Onderwerp-impact
De uitspraak versterkt het bestaande beleid om Dublin-overdrachten naar Bulgarije door te zetten voor Turkse asielzoekers, en ondermijnt de lijn waarbij AIDA-rapporten met lage inwilligingspercentages als zelfstandige grond voor systeemfouten worden gehanteerd.
Samenvatting
In deze zaak had de minister de asielaanvraag van een Turkse asielzoeker niet in behandeling genomen op grond van de Dublinverordening, omdat Bulgarije eerder een asielaanvraag van betrokkene had ontvangen en derhalve verantwoordelijk was. De rechtbank Den Haag had geoordeeld dat het lage inwilligingspercentage van Turkse asielzoekers in Bulgarije (periode 2018-2023, zoals blijkend uit het AIDA-rapport 2023) in samenhang met andere bevindingen uit dat rapport een serieuze aanwijzing vormde voor een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure voor deze groep. Op basis daarvan had de rechtbank de overdracht onrechtmatig geacht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het hier niet mee eens. Zij benadrukt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije overeind blijft, mede in lijn met eerdere Afdelingsuitspraken die hebben vastgesteld dat de opvang aldaar niet zo gebrekkig is dat overdracht moet worden geweigerd. Een laag inwilligingspercentage, ook in samenhang met passages uit het AIDA-rapport, is volgens de Afdeling onvoldoende om een systeemfout aan te nemen die het vertrouwensbeginsel doorbreekt. Betrokkene had bovendien onvoldoende onderbouwd dat gebreken in tolkvoorziening en rechtsbijstand in Bulgarije zo ernstig zijn dat zij het vertrouwensbeginsel aantasten. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep van betrokkene alsnog ongegrond. Omdat de overdrachtstermijn inmiddels is verstreken, moet de minister de aanvraag zelf nationaal behandelen en heeft dit oordeel geen directe gevolgen meer voor betrokkene. De uitspraak is echter van belang vanwege zijn precedentwerking voor vergelijkbare gevallen van Turkse asielzoekers in Dublin-procedures richting Bulgarije.