Exploitatievergunning horeca geweigerd ondanks vrijspraak medeverdachten
ECLI:NL:RVS:2026:2033, Raad van State, 22-04-2026, 202402833/1/A3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 februari 2022 heeft de burgemeester van Eindhoven een aanvraag van [appellant] voor het verkrijgen van een exploitatievergunning voor horecagelegenheid ‘Sweet Sense B.V.’ afgewezen. [appellant] is bestuurder en enig aandeelhouder van Sweet Sense B.V. Hij heeft op 21 juni 2021 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een exploitatievergunning voor horecagelegenheid ‘Sweet Sense B.V.’, gevestigd aan de Kruisstraat 175 in Eindhoven. De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) gevraagd een onderzoek in te stellen naar de bij Sweet Sense betrokken personen en ondernemingen. De burgemeester heeft de exploitatievergunning op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) geweigerd, omdat er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen. De burgemeester heeft het daartegen door Sweet Sense gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Sweet Sense B.V. vroeg een exploitatievergunning aan voor een horecagelegenheid in Eindhoven. De burgemeester weigerde de vergunning op grond van de Wet Bibob wegens ernstig gevaar voor misbruik. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank het besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep tegen de uitspraak waarbij de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet. De doorslaggevende reden voor instandhouding van de weigering is het zakelijk samenwerkingsverband van Sweet Sense met persoon A en de aan hem verweten strafbare feiten, ook nadat andere betrokkenen zijn vrijgesproken van mensenhandel.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een individuele Bibob-weigeringszaak en voegt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel toe, maar is relevant voor de bestuurspraktijk rondom motiveringsplicht en herstel van gronden bij gewijzigde omstandigheden in Bibob-procedures.
Belangrijkste punten
- 1Burgemeester weigerde exploitatievergunning op grond van artikel 3 lid 1 sub b Wet Bibob wegens ernstig gevaar voor misbruik.
- 2Rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar wegens motiveringsgebrek: ten onrechte meegewogen dat betrokkenen vermoedelijk leiding gaven aan mensenhandel, terwijl zij inmiddels waren vrijgesproken.
- 3Rechtbank liet de rechtsgevolgen in stand op basis van een aanvullend Bibob-advies en aanvullend verweerschrift van de burgemeester.
- 4Vrijspraak van mensenhandel door betrokken personen doet niet af aan het ernstig gevaar, nu het zakelijk samenwerkingsverband met persoon A en zijn vermoedelijke strafbare feiten zelfstandig grond bieden voor weigering.
- 5De uitspraak is gelijktijdig behandeld met zaak nr. 202402838/1/A3, wat duidt op samenhangende zaken rondom dezelfde onderneming of betrokkenen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een Bibob-weigering stand kan houden ook als een aanvankelijk dragende grond (vrijspraak van betrokkenen) wegvalt, mits de overige gronden het ernstig gevaar zelfstandig kunnen dragen. Dit onderstreept de mogelijkheid om bij gewijzigde omstandigheden via een aanvullend Bibob-advies de motivering te herstellen.
Praktische impact
Sweet Sense B.V. en haar bestuurder krijgen de exploitatievergunning voor de horecagelegenheid in Eindhoven definitief niet, ondanks de vrijspraak van medeverdachten. Het zakelijk samenwerkingsverband met persoon A blijft een zelfstandige weigeringsgrond.
Onderwerp-impact
Voor de horeca-sector verduidelijkt deze uitspraak dat een ondernemer ook bij gedeeltelijke vrijspraak van betrokken personen niet automatisch recht krijgt op een exploitatievergunning als andere Bibob-risico's blijven bestaan.
Samenvatting
Deze zaak betreft de weigering van een exploitatievergunning voor horecagelegenheid Sweet Sense B.V. in Eindhoven. De bestuurder en enig aandeelhouder diende in juni 2021 een aanvraag in, waarna de burgemeester op grond van artikel 3 lid 1 sub b Wet Bibob de vergunning weigerde vanwege ernstig gevaar dat de vergunning mede zou worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Dit oordeel was mede gebaseerd op het vermoeden dat bij Sweet Sense betrokken personen feitelijk leiding hadden gegeven aan mensenhandel. In de bezwaarfase handhaafde de burgemeester zijn weigering. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar wegens een motiveringsgebrek: de burgemeester had de vermoedelijke betrokkenheid bij mensenhandel ten onrechte meegewogen, nu de betreffende personen inmiddels waren vrijgesproken. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De reden hiervoor was dat de burgemeester naar aanleiding van de vrijspraak een aanvullend Bibob-advies had ingewonnen en in zijn aanvullend verweerschrift had onderbouwd dat de weigering ook zonder die grond stand houdt. Bepalend bleef het zakelijk samenwerkingsverband van Sweet Sense met persoon A en de aan hem verweten strafbare feiten. De Raad van State behandelt het hoger beroep in deze zaak gelijktijdig met een verwante zaak. De uitspraak laat zien dat een motiveringsgebrek in een Bibob-besluit herstelbaar is via een aanvullend advies, mits de overblijvende gronden het ernstig gevaar zelfstandig kunnen dragen. Voor de praktijk betekent dit dat een vrijspraak van betrokken personen niet automatisch leidt tot het alsnog verlenen van een geweigerde vergunning, zolang andere risicofactoren intact blijven.