JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:1733Middel38/100

Raad van State vernietigt uitspraak: voorkeursrecht op landbouwpercelen geldig

ECLI:NL:RVS:2026:1733, Raad van State, 25-03-2026, 202304077/1/A3

Raad van StateUitspraak: 25 maart 2026Publicatie: 25 maart 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202304077/1/A3

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg), op de percelen van woningbouwlocatie Pannenschuur VI een voorlopig voorkeursrecht gevestigd. [wederpartij] exploiteert een landbouwbedrijf aan [locatie 1] en [locatie 2] in Heukelom. De gemeente wil woningbouw realiseren op de gronden ten zuidoosten van het bedrijf, direct aan de andere kant van de straat Hoog Heukelom. In verband met geurhinder op kadastraal perceel H358 moet een agrarisch bedrijfsgebouw van [wederpartij] worden verplaatst. Daarover hebben [wederpartij] en de gemeente in 2018 een overeenkomst gesloten. Het gebied wordt in de overeenkomst aangeduid als ‘Pannenschuur Buiten’. De gemeente heeft ook plannen om woningbouw te realiseren op de locatie Pannenschuur VI. Dit gebied omvat de kadastrale percelen van [wederpartij] met nrs. H834, H988, waarop het agrarische bouwvlak rust, en H989, en de percelen ten noordoosten daarvan. Om Pannenschuur VI te kunnen realiseren, heeft de raad bij besluit van 2 juli 2020 op die percelen een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wvg gevestigd.

Kern van de zaak

Een landbouwer in Heukelom verzette zich tegen een gemeentelijk voorkeursrecht dat in 2020 op zijn percelen was gevestigd in verband met woningbouwplannen (Pannenschuur VI). De gemeente wilde dat hij zijn gronden eerst aan de gemeente zou moeten aanbieden bij verkoop. De rechtbank had de landbouwer gelijkgesteld op basis van een overeenkomst uit 2018.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep van de gemeente gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en verklaart het oorspronkelijke beroep van de landbouwer ongegrond. De doorslaggevende reden is dat de overeenkomst uit 2018 geen grond bood om het voorkeursrechtbesluit van 2 juli 2020 te vernietigen.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft praktische betekenis voor de toepassing van overgangsrecht bij de Omgevingswet en de verhouding tussen privaatrechtelijke overeenkomsten en publiekrechtelijke voorkeursrechten, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels vast.

Belangrijkste punten

  • 1Het voorkeursrechtbesluit dateert van 2 juli 2020, waardoor het oude recht (Wvg) van toepassing blijft ondanks de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.
  • 2De gemeente vestigde het voorkeursrecht op percelen H834, H988 en H989 ten behoeve van woningbouwplan Pannenschuur VI.
  • 3De rechtbank had de landbouwer gelijkgesteld op grond van de in 2018 gesloten overeenkomst over verplaatsing van een agrarisch bedrijfsgebouw.
  • 4De Raad van State oordeelt anders en verklaart het beroep van de landbouwer ongegrond, waarmee het voorkeursrecht in stand blijft.
  • 5Het overgangsrecht van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet bepaalt dat oude regels blijven gelden totdat een aanwijzingsbesluit onherroepelijk is.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de werking van het overgangsrecht bij de invoering van de Omgevingswet voor Wvg-aanwijzingsbesluiten en bevestigt dat een privaatrechtelijke overeenkomst niet zonder meer in de weg staat aan een rechtsgeldig gevestigd publiekrechtelijk voorkeursrecht.

Praktische impact

De landbouwer is gebonden aan het voorkeursrecht en moet zijn percelen bij voorgenomen verkoop eerst aan de gemeente aanbieden; de gemeente behoudt haar positie om grondverwerving voor de woningbouwlocatie Pannenschuur VI te sturen.

Onderwerp-impact

Voor gemeenten die woningbouw willen realiseren op agrarische gronden biedt deze uitspraak steun voor het gebruik van het voorkeursrechtinstrument, ook wanneer er eerder privaatrechtelijke afspraken zijn gemaakt met grondeigenaren.

Samenvatting

In deze zaak had de gemeente Heukelom in 2020 op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) een voorkeursrecht gevestigd op percelen van een lokale landbouwer, ten behoeve van een geplande woningbouwlocatie (Pannenschuur VI). Het voorkeursrecht verplicht de eigenaar om zijn gronden bij voorgenomen vervreemding eerst aan de gemeente aan te bieden. De landbouwer verzette zich hiertegen, mede op basis van een overeenkomst die hij in 2018 met de gemeente had gesloten over de verplaatsing van een agrarisch bedrijfsgebouw in verband met geurhinder op een nabijgelegen perceel. De rechtbank Zeeland-West-Brabant had de landbouwer in het gelijk gesteld, waarbij de overeenkomst uit 2018 een centrale rol speelde. De gemeente stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De centrale juridische vraag betrof of de in 2018 gesloten overeenkomst in de weg stond aan het rechtsgeldige vestiging van het voorkeursrecht bij besluit van 2 juli 2020, en welk recht van toepassing was nu de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking is getreden. De Raad van State oordeelt dat op grond van het overgangsrecht in de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet het oude recht, waaronder de Wvg, van toepassing blijft op aanwijzingsbesluiten die zijn genomen vóór 1 januari 2024, totdat die besluiten onherroepelijk zijn. Het aanwijzingsbesluit van 2 juli 2020 valt daarmee volledig onder de Wvg. Verder oordeelt de Afdeling dat de overeenkomst uit 2018 geen grond biedt voor vernietiging van het voorkeursrechtbesluit. Het hoger beroep van de gemeente wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het oorspronkelijke beroep van de landbouwer wordt ongegrond verklaard. Het voorkeursrecht blijft daarmee in stand.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 14 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied