RDW CO2-registratie vernietigd in bpm-geschil geïmporteerd voertuig
ECLI:NL:RVS:2026:1322, Raad van State, 18-03-2026, 202504370/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 oktober 2023 heeft de Dienst Wegverkeer een verzoek van [appellant] om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van het voertuig met kenteken [kenteken] te wijzigen, afgewezen. Fabrikanten van voertuigen bestemd voor de Europese markt moeten volgens het Unierecht beschikken over een voor toelating op die markt vereiste Europese typegoedkeuring. Voor de Europese typegoedkeuring moeten zij onder meer de CO2-uitstoot van hun voertuigen vaststellen. Dit gebeurde vóór 1 september 2017 met de zogenoemde NEDC-test (New European Driving Cycle). Vanaf 1 september 2017 geldt voor alle nieuwe voertuigmodellen de WLTP-test (Worldwide harmonised Light-duty vehicle Test Procedure). Voor bestaande modellen geldt deze verplichting vanaf 1 september 2018. De WLTP-test is nauwkeuriger dan de NEDC-test en resulteert in een hogere CO2-uitstoot. Tot 1 januari 2021 is een overgangsmaatregel ingevoerd: de correlatiemethode NEDC2. Dit is een formule om de WLTP-waarde om te zetten naar een lagere waarde die de NEDC-waarde moet benaderen.
Kern van de zaak
Een particulier importeerde een voertuig uit Tsjechië en deed aangifte bpm op basis van een bepaalde CO2-uitstoot. Het Tsjechische kentekenbewijs vermeldde geen CO2-waarde, waarop de RDW de uitstoot zelf berekende en registreerde. De Belastingdienst legde vervolgens een naheffingsaanslag bpm op omdat de geregistreerde CO2-uitstoot hoger was dan de aangegeven waarde.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank Den Haag als het besluit van de RDW van 10 september 2024. De RDW wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, omdat de wijze waarop de RDW de CO2-uitstoot zelf berekende en registreerde niet in stand kon blijven.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft relevantie voor een specifieke groep importeurs van buitenlandse voertuigen met onvolledige documentatie en raakt de samenloop van RDW-registratie en bpm-heffing, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels vast en is beperkt tot een relatief afgebakend feitencomplex.
Belangrijkste punten
- 1De RDW registreert de CO2-uitstoot in het kentekenregister op basis van het certificaat van overeenstemming (CVO); ontbreekt dit, dan berekent de RDW de waarde zelf.
- 2De overgang van NEDC- naar WLTP-testmethode (per 1 september 2017/2018) en de correlatiemethode NEDC2 zijn relevant voor de hoogte van de geregistreerde CO2-waarde.
- 3De geregistreerde CO2-waarde heeft directe financiële gevolgen via de bpm-heffing: een hogere uitstoot leidt tot een hogere belasting.
- 4Het Tsjechische kentekenbewijs vermeldde geen CO2-uitstoot en een onvolledige Europese typegoedkeuring, wat de eigenberekening door de RDW uitlokte.
- 5De Afdeling draagt de RDW op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen in de uitspraak; enkel hoger beroep bij de Afdeling staat open tegen het nieuwe besluit.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de grenzen van de bevoegdheid van de RDW om bij ontbrekende CVO-gegevens zelf de CO2-uitstoot te berekenen en te registreren, met directe gevolgen voor de bpm-grondslag. Dit is relevant voor alle gevallen van invoer van voertuigen zonder volledige Europese typegoedkeuringsgegevens.
Praktische impact
Importeurs en eigenaren van uit het buitenland ingevoerde voertuigen waarbij de CO2-uitstoot niet volledig op het kentekenbewijs staat, kunnen met succes de eigenberekening van de RDW aanvechten als die berekening onjuist of onrechtmatig is, wat naheffingen bpm kan voorkomen of terugdraaien.
Onderwerp-impact
Voor de transportsector en importeurs van voertuigen benadrukt deze uitspraak het belang van volledige Europese typegoedkeurings- en CO2-documentatie bij invoer, omdat ontbrekende gegevens tot onjuiste fiscale registraties en naheffingen kunnen leiden.
Samenvatting
Deze zaak betreft de import van een voertuig uit Tsjechië door een particulier. Omdat het Tsjechische kentekenbewijs geen CO2-uitstootwaarde vermeldde en de Europese typegoedkeuring onvolledig was, berekende de RDW de CO2-uitstoot zelf en registreerde deze in het Nederlandse kentekenregister. Op basis van deze geregistreerde — hogere — waarde legde de Belastingdienst een naheffingsaanslag bpm op, omdat de door appellant bij de bpm-aangifte opgegeven CO2-uitstoot lager was dan de door de RDW geregistreerde waarde. De centrale juridische vraag is of de RDW de CO2-uitstoot op rechtmatige en correcte wijze heeft vastgesteld en geregistreerd, gezien de overgang van de NEDC- naar de WLTP-testmethode en de tijdelijke correlatiemethode NEDC2 die gold tot 1 januari 2021. De juiste toepassing van deze testmethoden en de correlatiemethode bepaalt immers de grondslag voor de bpm-heffing. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep gegrond is. Zij vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2025 en het onderliggende besluit van de RDW van 10 september 2024. De RDW wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling. Tegen dat nieuwe besluit staat uitsluitend beroep bij de Afdeling open. De uitspraak is praktisch relevant voor importeurs en eigenaars van voertuigen die zonder volledige CVO-documentatie in Nederland worden ingeschreven. Zij toont aan dat de eigenberekening door de RDW niet zonder meer rechtmatig is en dat een onjuiste registratie succesvol kan worden aangevochten. De uitkomst kan directe gevolgen hebben voor de hoogte van verschuldigde bpm bij invoer van vergelijkbare voertuigen.