Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard zonder nadere motivering
ECLI:NL:RVS:2026:1173, Raad van State, 05-03-2026, BRS.25.002685
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Kern van de zaak
Een appellant in een vreemdelingenzaak heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De zaak betreft een beslissing van de minister in het kader van de Vreemdelingenwet 2000. De appellant werd bijgestaan door mr. H.A. Limonard, advocaat in Joure.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden, waardoor toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 volstaat zonder verdere motivering.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder inhoudelijke overwegingen. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft geen precedentwerking of bredere juridische betekenis.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van de verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen inhoudelijke motiveringsplicht)
- 2Het hogerberoepschrift bevatte geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming
- 3De uitspraak van de rechtbank wordt integraal bevestigd
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
- 5Behandeld door enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000, op grond waarvan de Afdeling hoger beroepen in vreemdelingenzaken kan afdoen zonder inhoudelijke motivering wanneer geen rechtsvragen van algemeen belang spelen. De uitspraak heeft geen precedentwerking.
Praktische impact
Voor appellant betekent dit dat de rechtbankuitspraak onherroepelijk wordt en dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend. De vreemdelingrechtelijke positie van appellant wordt bepaald door de eerder door de rechtbank bevestigde ministeriële beslissing.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken leidt de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000 ertoe dat appellanten bij gebrek aan rechtsvragen van algemeen belang geen inhoudelijke herbeoordeling door de Raad van State krijgen.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 5 maart 2026 uitspraak gedaan op het hoger beroep van een appellant, bijgestaan door mr. H.A. Limonard. Het hoger beroep was gericht tegen een uitspraak van de rechtbank, die op zijn beurt een beslissing van de minister in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 had beoordeeld. De centrale juridische vraag was of de rechtbankuitspraak in stand kon blijven. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard met toepassing van de zogeheten verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van deze bepaling hoeft de Afdeling een hoger beroep niet nader te motiveren indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Nu het hogerberoepschrift dergelijke rechtsvragen niet bevatte, werd volstaan met de enkele constatering dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Een inhoudelijke beoordeling van de grieven heeft de Afdeling derhalve niet gegeven. Ook een proceskostenveroordeling ten laste van de minister bleef achterwege. Deze uitspraak is illustratief voor de wijze waarop de Raad van State in vreemdelingenzaken gebruik maakt van de wettelijke mogelijkheid tot verkorte afdoening. Voor de appellant heeft de beslissing vergaande praktische gevolgen, nu de ministeriële beslissing waartegen aanvankelijk werd opgekomen daarmee onherroepelijk is geworden. De uitspraak heeft geen zelfstandige juridische betekenis of precedentwerking buiten de concrete zaak.