Last onder dwangsom garageloods ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
ECLI:NL:RVS:2026:4281, Raad van State, 22-07-2026, 202504116/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal [appellant] opgedragen de garageloods aan de [locatie] in Heerle te verwijderen of zo uit te voeren dat deze vergunningvrij is. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 3000,00 betalen. [appellant] woont aan de [locatie] in Heerle en heeft een garageloods naast zijn woning gebouwd. [partij] woont naast [appellant] en is het niet eens met de bouw van de garageloods, omdat deze volgens haar te groot is en niet past in de omgeving. Het college heeft geconstateerd dat de gebouwde garageloods inderdaad te groot is om vergunningvrij te bouwen en heeft [appellant] daarom opgedragen om de garageloods te verwijderen of aan te passen.
Kern van de zaak
Appellant bouwde een garageloods naast zijn woning in Heerle zonder omgevingsvergunning. Buurvrouw diende een handhavingsverzoek in. Het college legde een last onder dwangsom op wegens overtreding van de bouwregelgeving.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep van appellant tegen de opgelegde last onder dwangsom. De overtreding staat vast; de centrale vraag is of een beroep op het vertrouwensbeginsel handhaving in de weg staat, waarbij de uitspraak onvolledig is maar de beginselplicht tot handhaving als leidend kader wordt aangehaald.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak toe over het vertrouwensbeginsel en de beginselplicht tot handhaving en heeft geen vernieuwend karakter; de tekst is bovendien onvolledig, waardoor de definitieve beslissing en motivering niet volledig beoordeeld kunnen worden.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 werd ingediend, blijft het oude recht (Wabo) van toepassing op de opgelegde last onder dwangsom.
- 2De overtreding staat niet ter discussie: partijen zijn het erover eens dat de garageloods een omgevingsvergunning vereist die nooit is aangevraagd.
- 3Appellant doet beroep op het vertrouwensbeginsel en stelt dat het college had toegezegd dat vergunningvrij bouwen was toegestaan.
- 4De Afdeling toetst of die toezegging reden geeft om af te zien van handhaving, in het licht van de beginselplicht tot handhaving.
- 5De uitspraak verwijst naar ECLI:NL:RVS:2025:678 voor de evenredigheidstoets bij handhavingsbesluiten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de overgangsregelgeving van de Invoeringswet Omgevingswet toe en bevestigt dat het oude omgevingsrecht van kracht blijft voor handhavingsbesluiten naar aanleiding van vóór 2024 ingediende verzoeken. De toetsing van het vertrouwensbeginsel tegenover de beginselplicht tot handhaving sluit aan bij bestaande rechtspraak.
Praktische impact
Voor appellant betekent dit dat de last onder dwangsom in stand blijft tenzij het vertrouwensbeginsel slaagt; hij moet de garageloods aanpassen of verwijderen dan wel alsnog een vergunning verkrijgen. Voor buren en derden bevestigt de zaak dat handhavingsverzoeken bij illegale bouwwerken effectief kunnen worden ingezet.
Onderwerp-impact
In het omgevings- en bouwrecht verduidelijkt deze zaak hoe het overgangsrecht van de Omgevingswet uitwerkt bij lopende handhavingstrajecten en welke rol een beroep op vertrouwensbeginsel kan spelen bij de beginselplicht tot handhaving.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij de Raad van State over een last onder dwangsom die het college van Roosendaal heeft opgelegd aan een bewoner in Heerle die zonder omgevingsvergunning een garageloods naast zijn woning had gebouwd. De buurvrouw had een handhavingsverzoek ingediend omdat de loods te groot was en niet in de omgeving paste. Omdat het handhavingsverzoek vóór 1 januari 2024 was ingediend, bepaalt het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet dat het oude recht — de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) — van toepassing blijft op de opgelegde last, totdat het besluit onherroepelijk wordt. Dit overgangsrechtelijke kader staat buiten discussie. De overtreding zelf is evenmin betwist: partijen erkennen dat de garageloods een omgevingsvergunning vereist die nooit is aangevraagd. De kernvraag in dit geschil is of het college had moeten afzien van handhaving, omdat appellant stelt dat het college hem had toegezegd dat de loods vergunningvrij gebouwd mocht worden. Hij doet daarmee een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Afdeling beoordeelt dit beroep in het licht van de beginselplicht tot handhaving en de evenredigheidstoets zoals uiteengezet in haar eerdere uitspraak van 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:678). Omdat de uitspraaaktekst onvolledig is, kan de definitieve beslissing op het vertrouwensberoep niet volledig worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare overwegingen is echter duidelijk dat de Afdeling de zaak toetst aan vaste rechtspraak over de beginselplicht tot handhaving, waarbij een toezegging door het bestuursorgaan alleen dan in de weg staat aan handhaving als sprake is van een concrete, ondubbelzinnige en bevoegdelijk gedane toezegging waarop appellant gerechtvaardigd mocht vertrouwen.