Hoger beroep niet-ontvankelijk na alsnog genomen asielbesluit
ECLI:NL:RVS:2026:1162, Raad van State, 03-03-2026, 202403902/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelde hoger beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Hangende het hoger beroep nam de minister alsnog een besluit op 28 januari 2026. Daarmee verviel het procesbelang van appellant.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister hangende de procedure alsnog een besluit heeft genomen, waardoor appellant geen belang meer had bij beoordeling van zijn hoger beroep. De minister is wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 467,00, en het beroep tegen het inhoudelijke besluit is verwezen naar de rechtbank Den Haag.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procedureel van aard en past volledig binnen bestaande jurisprudentie over procesbelang bij niet-tijdig-beslissen. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld; de verwijzing naar lopende prejudiciële procedures heeft een informatief karakter.
Belangrijkste punten
- 1Het hoger beroep richtte zich tegen het uitblijven van een besluit (niet tijdig beslissen), maar het procesbelang verviel doordat de minister op 28 januari 2026 alsnog besliste.
- 2De Afdeling verwijst het beroep tegen het inhoudelijke besluit van 28 januari 2026 door naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht.
- 3Lopende prejudiciële vragen aan het HvJ EU over de verlenging van beslistermijnen (WBV 2022/22 en WBV 2023/3) hebben geen invloed op de proceskostenveroordeling in dit geval.
- 4De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 467,00 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
- 5De Afdeling baseert de aanvang van de beslistermijn op het moment waarop de vreemdeling in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, zoals blijkt uit ECLI:NL:RVS:2025:5543.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij het alsnog nemen van een besluit hangende een niet-tijdig-beslissen-procedure het procesbelang vervalt en het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Tevens wordt de relevante rechtspraak over de beslistermijn in asielzaken en de lopende prejudiciële procedure bij het HvJ EU in kaart gebracht.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent dit dat zijn hoger beroep inhoudelijk niet wordt beoordeeld; het geschil over het inhoudelijke asielbesluit van 28 januari 2026 wordt voortgezet bij de rechtbank Den Haag. De proceskostenvergoeding biedt enige compensatie voor de gemaakte kosten.
Onderwerp-impact
In asielzaken blijft de rechtsonzekerheid over de toelaatbaarheid van verlengde beslistermijnen (WBV 2022/22 en WBV 2023/3) voortbestaan totdat de Afdeling einduitspraak doet na het HvJ EU-arrest van 8 mei 2025 en de nog te beantwoorden prejudiciële vragen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een vreemdeling die hoger beroep had ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Hangende het hoger beroep nam de minister van Asiel en Migratie op 28 januari 2026 alsnog een besluit op de aanvraag, waarbij deze werd afgewezen. De Afdeling stelt vast dat appellant met het nemen van dat besluit het doel van de procedure heeft bereikt: een inhoudelijke beslissing op zijn asielaanvraag. Omdat appellant daarmee geen zelfstandig procesbelang meer heeft bij beoordeling van het hoger beroep, verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het inhoudelijke beroep tegen het besluit van 28 januari 2026 wordt door de Afdeling verwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, zodat de inhoudelijke asielgronden daar beoordeeld kunnen worden. De Afdeling gaat in op de lopende prejudiciële vragen die zij aan het Hof van Justitie van de EU heeft gesteld over de vraag of de minister de beslistermijn mocht verlengen op grond van WBV 2022/22 en WBV 2023/3. Het HvJ EU heeft op 8 mei 2025 antwoord gegeven op de vragen over WBV 2022/22; de vragen over WBV 2023/3 zijn nog in behandeling. De Afdeling overweegt dat dit alles geen invloed heeft op de proceskostenveroordeling in de onderhavige zaak, nu de minister hoe dan ook te laat heeft beslist. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 467,00 aan proceskosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een routinematige toepassing van vaste jurisprudentie over het wegvallen van procesbelang bij niet-tijdig-beslissen-procedures.