Consulaire bijstand geschonden maar bewaring toch rechtmatig
ECLI:NL:RVS:2026:106, Raad van State, 12-01-2026, BRS.25.001898
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) uit Marokko werd in bewaring gesteld. Hij stelde dat zijn recht op consulaire bijstand was geschonden omdat de minister geen contact had opgenomen met de consulaire vertegenwoordiging van zijn land van herkomst, ondanks zijn wens daartoe.
Beslissing van de rechter
De Raad van State oordeelt dat het recht op consulaire bijstand inderdaad is geschonden, maar verklaart het hoger beroep ongegrond omdat na belangenafweging de bewaring toch rechtmatig is. Doorslaggevend is dat appellant de gronden voor bewaring niet heeft bestreden, geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en medewerking aan terugkeer heeft geweigerd.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past bestaand toetsingskader toe en voegt weinig nieuws toe aan de rechtsontwikkeling, maar bevestigt een relevante lijn over de gevolgen van consulaire bijstandsschendingen bij vreemdelingenbewaring.
Belangrijkste punten
- 1Schending van het recht op consulaire bijstand maakt bewaring niet automatisch onrechtmatig; een belangenafweging is vereist.
- 2De Afdeling gaat er bij twijfel over de wens tot consulaire bijstand van uit dat de vreemdeling die bijstand wél wenste, mede gezien het korte tijdsverloop tussen de twee gehoren.
- 3De minister schond zijn plicht door geen contact op te nemen met de consulaire vertegenwoordiging van Marokko.
- 4Omdat appellant de gronden voor bewaring niet bestreed en geen bijzondere omstandigheden aanvoerde, wegen de belangen niet op tegen de ernst van het gebrek.
- 5De weigering van appellant om mee te werken aan terugkeer naar Marokko weegt mee in de belangenafweging ten nadele van appellant.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het toetsingskader uit ECLI:NL:RVS:2023:3666: schending van consulaire bijstand leidt pas tot onrechtmatigheid van bewaring na een concrete belangenafweging, waarbij de ernst van het gebrek wordt afgewogen tegen de gronden en omstandigheden van de bewaring.
Praktische impact
Voor vreemdelingen in bewaring betekent dit dat een schending van consulaire bijstand op zichzelf onvoldoende is om invrijheidstelling te bewerkstelligen; zij moeten ook de gronden voor bewaring betwisten en bijzondere omstandigheden aanvoeren.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht benadrukt deze uitspraak dat procedurele gebreken bij inbewaringstelling niet automatisch leiden tot opheffing van de maatregel, wat de drempel voor succesvolle rechtsbescherming bij bewaring hoog houdt.
Samenvatting
Deze zaak betreft een vreemdeling van Marokkaanse afkomst die in bewaring werd gesteld en bij de Raad van State in hoger beroep aanvoerde dat zijn recht op consulaire bijstand was geschonden. Uit het proces-verbaal van ophouding bleek dat hij aanvankelijk wel consulaire bijstand wenste. Een later proces-verbaal suggereerde het tegendeel, maar de minister erkende ter zitting dat onduidelijk was wat appellant daadwerkelijk had verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde, mede gelet op het korte tijdsverloop tussen beide gehoren, dat appellant wél consulaire bijstand wenste. Daarmee stond vast dat op de minister de plicht rustte contact op te nemen met de Marokkaanse consulaire of diplomatieke vertegenwoordiging, wat hij had nagelaten. De schending van het recht op consulaire bijstand werd dus vastgesteld. De Afdeling paste vervolgens het toetsingskader toe uit haar uitspraak van 2 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3666): een dergelijk gebrek maakt de bewaring pas onrechtmatig indien na een belangenafweging blijkt dat de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de geschonden belangen. In dit geval oordeelde de Afdeling dat van een dergelijke disproportionaliteit geen sprake was. Appellant had de inhoudelijke gronden voor zijn bewaring niet bestreden, er werden ambtshalve geen gebreken in die gronden vastgesteld, hij had geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die zijn detentie onevenredig bezwarend maakten, en hij had actief geweigerd mee te werken aan terugkeer naar Marokko. De Afdeling concludeerde dat de over en weer gestelde belangen niet leiden tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is opgelegd. Het hoger beroep werd daarmee in feite ongegrond verklaard, ondanks de vastgestelde procedurele schending.